Back to site

RM09 Copies of poems. Probably Isleworth, about September 1876.

metadata
No. RM09 (Brieven 1990 104, Complete Letters )
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: Isleworth, about September 1876

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. nos. b104 b-c V/1962

Date
Considering that Van Gogh copied on this loose leaf both hymn 180:5 and Ten Kate’s ‘Zucht naar heiliging’ (A longing for sanctification) – both of which occur in letter 90, which dates from the beginning of September 1876 – we assume that the sheet originated in approximately that month. In De brieven 1990 these sheets were appended to letter 104, but we see no reason to connect them with that letter.

original text
 1r:1
De Avondzang.1

Och speel nog eens een lied voor mij
Gij oude brave man
Beproef eens of een zoet akkoord
Mijn ziel verkwikken kan

De zieke bidt, de grijsaard speelt
Nooit speelde hij zoo teer
Nooit zoo verrukkend, neen hij kent
Zijn eigen spel niet meer

Daar trilt een hemelsch zoet akkoord
Des ouden hart ontroert.–
Het orgel zwijgt – de ziel van ’t kind
Is aan deez aard ontvoerd.–


Zucht naar heiliging2

Wie zal voor immer en volkomen ons bevrijden
Van ’t ligchaam dezes doods gebogen onder ’t juk
Hoe lang moet ik mijzelven nog bestrijden
Eer ik dit hart der zonde dienst ontruk.–

Ik had aan God beloofd dat Hij mijn God zou wezena
Dat ik Hem volgen zou met onverdeeld gemoed
Ik werd beproefd – ik viel – daar was mijn eed vergeten
Ik werd verzocht – daar wankelde mijn voet

Neen niet in eigen kracht zal ik verwinnen leeren
Beken uw zwakte o ziel, en zelfbedrog, verdwijn!
De vader moet het kinderhart formeeren
De Meester moet des leerlings leidsman zijn.–

 1v:2
Welaan dan Vader! laat Uw liefde mij bekwamen!
Mijn Meester grijp mijn hand en toon mij Uw banier
Ik stond alleen – ik viel – nu gaan wij zamen
’k Bezweek, strijdt Gij mij voor, en ’k zegevier

Eerst nu voel ik mij sterk, daar ik mij zwak gevoele
Onmachtig in mijzelf, Almachtig in den Heer!
De zonde lokk’, de booze hartstocht woele,
Gij, God in mij, werpt elken vijand neer.

Ik ben bedroefd, maar ’t is een Goddelijke smarte,
Een nachtwolk maar omzoomd met Hemelsch morgenrood
Ik ween, o God, maar met de vreugd in ’t harte
Ik buig het hoofd, maar Vader, in Uw schoot.


Ik weet aan Wien ik mij vertrouwe
Al wisselen ook dag en nacht
Ik ken de rots waarop ik bouwe
Hij feilt niet die mijn heil verwacht
Eens aan den avond van mijn leven
Breng ik van zorg en strijden moe
Voor elken dag mij hier gegeven
U hooger reiner loflied toe.3

 2r:3
De pelgrimstogt4

Heimwee doorstroomde
Het hart van een pelgrim
Zwervende zocht hij
De hemelsche stad
Stad van geneugten
Van eeuwige vreugden
Die eens Gods Engel
Hem toegezegd had.

Heldre stroomen
In ’t vlak uwer waatren
Moogt hij weerkaatsen
Haar liefelijk beeld
Glanzende bergen
van verre reeds schouwt gij
’t Oord dat mijn ziele
Zoo aanlokt en streelt.

Ginds hoor ik klinken
Als kleeplen daar klokken
’t Avondrood flonkert
Door ’t woud met zijn gloed
o had ik de wieken!
Ik zweefde als een duive
vlug door de ruimte
U, Stad te gemoet.

Heilige weemoed
Verteederd mijn ziele
Brandende zuchten
Ontstijgen mijn hart
Mat zinkt hij neder
op ’t bloemige rustbed
Smachtend doorboren
Zijne ogen de vert

Wijd, ach, te wijd is
De ruimte der scheiding
Lang is de reize
Te zwaar voor mijn kracht
Toovrende dromen
Ontsluijert het lustoord
Geef mij ’t genieten
Der hemelsche pracht.

’t Blaauwende weefsel
Ontsluit zich, een Engel
Glanzend als zilver
Daalt vriendelijk af
Zou God, dus spreekt hij,
De kracht u onthouën,
Hij die te voren
’t Verlangen U gaf?

Stille verrukking
In zoete begoocheling
Moge het voedsel
Des weekelings zijn
’t Rusteloos streven
Is manlijk en edel
Voert naar het doelwit
Verwerklijkt den schijn.

Zoet als de geuren
Der bloemen verdwijnt hij
Op springt de pelgrim
Versterkt door zijn woord
Moeilijke wegen
Doorwandelt hij moedig
Eindlijk daar schittert
Der heem’len poort.

Ze opent haar vleuglen
Als de armen der Moeder
Die in verlangen
Haar zoon heeft verwacht
Jublende zangen
Begroeten den moede
Maar die zoo moedig
Zijn togt heeft volbracht.


Godvruchtige ouders zijn een zegen
Die nooit genoeg geschat wordt kind!
Zij banen U de regte wegen
Die menigeen zoo moeilijk vindt.–5


Leeuwerik die tierelierend
Op uw rappe vlerkjes zwierend
Hoger stijgt in vrije lucht
Zingen wij te zaam koralen
’k Stijg met U in licht en stralen
Aan mijn kerkerboei ontvlugt.6

 2v:4
De Koning op het torenplat7

Daar liggen de heuvlen
Beneveld en graauw
De dalen verzonken
In nachtlijken schauw

Alom heerscht de sluimring
Geen enkele klacht
Wordt hier me op de wieken
Der koelte gebracht

Gezorgd heb ik immer
Voor aller geluk
Gedronken den beker
In kommer en druk

De nacht is gevallen
De hemelboog gloort
’k Verlang naar de rust, die
Mijn ziele bekoort

O tintlende starren
Geschrift van omhoog
Hoe wekt gij en trekt gij
Vol liefde mijn oog

Betoovrende klanken
Van ’t Hemelsche koor
Nauw hoorbaar toch streelt ge
Verkwikkend mijn oor

Vergrijsd zijn mijn lokken
Verdoofd is mijn vuur
Mijn wapenen hangen
Vol roest aan den muur

’k Heb regt steeds gesproken
En regt steeds gedaan
Wanneer zal de stonde
Der rust voor mij slaan

O rust waar mijn ziele
Zo vurig naar smacht
Toef, toef toch niet langer
O Zalige nacht!

Dat ’k sterren mag schouwen
Van heerlijker glans
En klanken vernemen
Veel luider dan thans.


Wintermorgen8

Een sombre wintermorgen was ’t
Het zonlicht wou niet gloren
Bij poozen kwam een doodskloktoon
Door ’t waas der neevlen boren.

Hoe toonloos klonk die ene klok
Men klepte haar maar even
Maar even werd met heesche stem
Een lijkzang aangeheven.

Het was een oude arme man
Die grafwaarts werd gedragen
Maar toonloos als zijn uitvaart was
Zoo waren eens zijn dagen.

Nu hoort hij in Gods glorielicht
Der Eng’len koren zingen
En jubelend met vollen klank
De werelden doordringen.


De Leeuwrikken9

Welkom leeuwerikkenvlucht
Dezen stijgen in de lucht
Genen strijken langs den stroom
Andren dartlen in den boom
Een wiens lust is God te loven
Wil hier uit mijn hart naar Boven!


Kerkhof in de Lente10

Stille rustplaats onzer dooden
Schiet den Lente feestdosch aan
Berg U achter rozeblaan
Dek Uw grond met groene zoden
Sluit uw hek en dorenhagen –
Opent gij voor mij uw zerken
O, Welaan ik ben bereid
Maar der Lente heerlijkheid
Nodigt me om nog veel te werken.


Avondwolken11

Wolken op den dag zoo zwart
Zwevend aan den westertrans
Schitterend van purperglans
Waar het goud der zon door flonkert

Zoo wordt ook voorzegt mijn hart
Eens der ziele vroeg of laat
Als het leven ondergaat
Helder wat nu is verdonkerd.–

translation
 1r:1
Evening song.1

Oh play another song for me
Old man, honest and true,
Try and see if one sweet chord
Can move my heart anew.

The sick child prays, the old man plays
His song had never been so tender,
Nor, like now, so magical:
It filled him, too, with wonder.

There trills a chord so heavenly
It moves the old man’s heart.
The organ stops, the dear child’s soul
This earthly vale departs.


A longing for sanctification2

Who shall free us fully and for ever
From the body of this death, bent beneath the yoke?
How long must I still combat my nature
Ere this heart from sinful service be revoked?

That God my God would be, I pledged my troth
With singleness of mind Him would I follow
But I was tried – forgotten was my oath
I was tempted – and my foot did falter.

No, with my own strength I shan’t learn to conquer
Soul, confess your weakness, self-deceit, take flight!
A child’s heart must be shaped by the Father
The Master be the pupil’s guiding light.
 1v:2
Well then, Father, let your love be my teacher
My Master, take my hand, and show your standard
I stood alone – and fell: now we’re together
I succumbed, but win behind your vanguard.

Only now do I feel strong, when with weakness stricken
Powerless in myself, but in the Lord, almighty!
Sin may tempt, the evil passions quicken,
Thou castest down all foes, O God in me!

I am grieved, but it’s a godly sadness
A night-cloud – tinged all round with dawn’s bright crimson
I weep, Lord, though my heart is full of gladness
I bow my head – but, Father, in thy bosom.


I know in Whom my faith is founded,
Though day and night change constantly,
I know the rock on which I’m grounded,
My Saviour waits, unfailingly.
When once life’s evening overcomes me,
Worn down by ills and strife always,
For every day Thou hast allowed me,
I’ll bring Thee higher, purer praise.3

 2r:3
The pilgrimage4

Homesickness flowed through
The heart of a pilgrim,
Seeking the heavenly
Jerusalem.
City of pleasures,
Of joy everlasting,
Which once God’s angel
Had promised to him.

Crystal-clear rivers,
May your placid waters
Show the reflection
Of this lovely sight.
Glittering mountains,
From far you behold it,
The place that my soul
Doth ease and invite.

I hear there the chiming
Of bells as though ringing.
The sunset suffuses
The woods with its glow.
If I only had wings
Like a dove I should glide,
And fly fast through the sky,
To you, city, I’d go.

Sanctified wistfulness
Softens my spirit,
And vehement yearnings
Rise up from my heart.
With weariness sinking
On his bed of flowers,
He gazes with longing
On those distant parts.

Wide, oh too wide
Is the distance between us.
Long is the journey,
I am overwhelmed.
Dreams of enchantment
Unveil the delightfulness,
Give me the joys
Of the heavenly realm.

Drapery looming
Now opens: an Angel,
Shining like silver,
Doth kindly descend,
Speaking thus: Would God
Deny you the power?
He who before made you
Yearn without end?

Silent delights and the
sweetest illusions,
May weaklings derive from them
True nourishment.
Perpetual striving
Is manly and noble.
It leads to the target,
Makes real the pretence.

Sweet as the fragrance
Of flowers he vanishes,
Up springs the pilgrim
Made strong by his words.
He wanders down difficult
Paths with great courage
Till, dazzling, the heavenly gates
Do emerge.

It opens its wings
Like the arms of the Mother,
Who longs for her son
And his advent attends.
Jubilant singing
Greets the ears of the weary,
As bravely his journey
Is brought to an end.


Pious parents are a blessing,
Child, you can’t thank them enough!
They pave for you the straight and narrow
Path, which many find so tough.5


Oh the skylark ever chirping
On thy nimble wings now circling
Flying higher in the sky.
Singing hymns let us unite
Rising in the glorious light
Freed from fetters now am I.6

 2v:4
The king on the tower platform7

The hills lie ayonder
All misty and grey
The valleys are sunken
In nocturnal shade.

All round me is slumber
Not one sign of woe
Is brought to disturb me
By breezes that blow.

I’ve ever looked after
Each one’s happiness
I’ve drunk of the cup
In both need and distress.

The night time has fallen
The firmament glows
I long for the peace that
Most pleases my soul.

O glimmering starlight
The Writ from on high
With love you attract me
And capture my eye.

Rapturous music
Of heavenly choirs
Scarce heard, yet caressing
And soothing my ears.

My hair’s turning grey now
My ardour doth pall
My armour now hangs
Full of rust on the wall.

Justly I’ve spoken,
And justice I’ve done
Oh when will my hour
Of peace finally come?

The peace which my spirit
Doth crave with all might
Abide now no longer
O most blessed night!

May I gaze upon stars
Which more wonderfully glow,
And be able to hear sounds
Much louder than now.


Winter morning8

’Twas a cheerless winter morn
Of sunlight not a glimmer.
At intervals a death-knell rang
And pierced the misty shimmer.

How dull it sounded, that one bell,
Given a brief ringing,
But soon one heard a hoarse voice raised
To sing a song of mourning.

It was a destitute old man
They carried to his grave.
His burial was just as drab
As once had been his days.

Now he’s in God’s glorious light,
The choirs of angels sing.
Rejoicing now, their fulsome tones
Throughout the world shall ring.


The larks9

Welcome sight of larks ascending,
Skyward paths forever wending,
Some alight beside the stream,
Others frolic in the tree.
To sing God’s praise is the delight
Of one who from my heart takes flight!


Cemetery in spring10

Resting place of our departed,
Don the festive dress of spring.
Hide thyself behind rose-petals,
Green grass be thy covering.
Close the gate and all thorn-hedges,
Open up thy tombs for me.
Very well then, I am ready,
Even though this vernal splendour
Urges me to labour further.


Evening clouds11

Clouds during the day so dark
In the western sky do hover,
Glowing with a purple shimmer
Pierced by sunsets’ golden light.

In like way, foretells my heart,
Soon or late, when I, death-stricken,
Leave this life, my soul will quicken
And what now is dark make bright.
notes
1. The source of ‘Avondzang’ (Evening song) has not been traced.
2.Zucht naar heiliging’ (A longing for sanctification) is to be found in César Malan, De harpe Sions. Een honderdtal liederen voor piano of orgel, voor den huisselijken kring. Freely adapted by J.J.L. ten Kate. Utrecht 1868, no. 19 (unpaginated); cf. letter 90, n. 16.
a. The source text has ‘heeten’.
3. ‘Ik weet ... loflied toe’ (I know in Whom my trust is founded) is hymn 180:5.
4. The source of ‘De pelgrimstogt’ (The pilgrimage) has not been traced.
5. The source of ‘Godvruchtige ... vindt’ (Pious parents are a blessing) has not been traced.
6. The source of ‘Leeuwerik ... ontvlugt’ (Oh the skylark ... now am I) has not been traced.
7. The source of ‘De Koning op het torenplat’ (The King on the tower) has not been traced.
8. The source of ‘Wintermorgen’ (Winter morning) has not been traced.
9. The source of ‘Leeuwrikken’ (Skylarks) has not been traced.
10. The source of ‘Kerkhof in de Lente’ (Cemetery in spring’ has not been traced.
11. The source of ‘Avondwolken’ (Evening clouds) has not been traced.