Back to site

211 To Theo van Gogh. The Hague, Saturday, 11 March 1882.

metadata
No. 211 (Brieven 1990 210, Complete Letters 181)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: The Hague, Saturday, 11 March 1882

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. nos. b202 a-b V/1962

Date
The letter was written on an evening when tableaux vivants and a farce were presented at Pulchri (ll. 122-123), which was Saturday, 11 March 1882 (see n. 9).

Ongoing topics
Uncle Cor places his first order for Vincent’s drawings (210)
Strained relations with Tersteeg (208)
Theo’s plans to come to the Netherlands (206)
Mauve’s Fishing boat on the beach for the Salon (194)

original text
 1r:1
Waarde Theo,
Gij zult mijn brieven ontvangen hebben,1 ik antwoord op dien van U, dezen middag ontvangen. Aan Tersteeg heb ik overeenkomstig Uw verzoek direkt toegezonden f. 10.-, mij door ZEd. deze week voorgeschoten. Ik schreef U van de bestelling van C.M., het ging aldus te werk. C.M. scheen Tersteeg gesproken te hebben voor hij bij me kwam, althans begon dergelijke dingen te zeggen omtrent “brood verdienen”. Mijn antwoord viel mij plotseling in, snel & ik geloof juist.– Ziehier wat ik zeide: brood verdienen, hoe bedoelt gij dat?– gagner son pain of mériter son pain – ne point mériter son pain, c’est à dire être indigne de son pain, voilà ce qui est un crime, tout honnête homme etant digne de sa croûte – mais pour ce qui est de ne point le gagner fatalement tout en le meritant, oh ça! c’est un malheur et Un grand malheur.– Si donc vous me dites là: tu es indigne de ton pain, j’entends que vous m’insultiez mais si vous me faites l’observation passablement juste que je ne le gagne pas toujours car parfois il m’en manque, que soit, mais à quoi bon me la faire cette observation-là, cela ne m’est guère utile si l’on en reste là.–2 Ik heb, ging ik voort, getracht onlangs dit aan Tersteeg te expliceeren doch of hij is wat hardhoorig aan dat oor of mijn explicatie was wat verward door de pijn die zijne woorden mij deden.
 1v:2
C.M. heeft toen maar verder over dat brood verdienen gezwegen.
Het onweer dreigde nog eens want ik, toevalligerwijs den naam van de Groux uitsprekende met betrekking tot expressie, vroeg C.M. op eens, Doch weet ge wel dat er aan het private leven van de Groux wel een steekje los was?3
Gij begrijpt dat C.M. daar een teer punt aanraakte en zich op een glibberigen weg waagde. Dat kan ik toch niet van dien braven vader de Groux laten zeggen. dus repliceerde ik, het is mij altijd voorgekomen dat wanneer een artist aan de menschen zijn werk toont hij het regt heeft om den zielstrijd van zijn eigen private leven (die in onmiddelijk en fataal verband staat met de eigenaardige moeielijkheden die het produceeren van een kunstwerk meebrengt) voor zich zelven te houden – tenzij hij zich daaromtrent uitstorte voor een zeer intiem vriend. Het is, zeg ik, onkiesch voor een criticus de quoi critiquer op te visschen in ’t private leven van iemand op wiens werk men niets zeggen kan. De Groux is een meester als Millet, als Gavarni.
C.M. had zeker althans Gavarni niet als een meester beschouwd.
(Tegen een ander dan C.M. had ik me korter en bondiger kunnen uitdrukken door te zeggen: t’is met het werk van een artist en zijn private leven als met een kraamvrouw en haar kind. Gij moogt haar kind wel bekijken maar ge moogt haar hemd niet opligten om te kijken of er ook bloedvlekken op zijn, dat ware onkiesch bij occasie van een kraamvisite.)
 1v:3
Ik begon al te vreezen dat C.M. ’t me kwalijk zou nemen – maar gelukkig namen de zaken een beteren keer. Tot afleiding kreega ik mijn portefeuille met kleinere studies & schetsjes. Hij zei eerst niets meer – tot dat wij op een teekeningetje kwamen dat ik eens met Breitner, flaneerende s’nachts om 12 uur geschetst had – nl. het Paddemoes (dat jodenbuurtje bij de Nieuwe Kerk) gezien van de Turfmarkt. Toen had ik ’t den volgenden morgen weer aangepakt met de pen.4
Jules Bakhuyzen had ook reeds naar het dingetje gekeken & onmiddelijk de plek herkend.
Zoudt ge mij meer van die stadsgezigtjes kunnen maken, zei C.M. Ja wel want ik amuseer mij daarmee als ik soms moegewerkt ben met ’t model – hier is de Vleersteeg5 – de Geest6 – de Vischmarkt.–7 Maak er 12 zoo voor mij. Ja wel, zei ik, doch we doen dan een kleine affaire en spreken dus dadelijk over den prijs. Mijn prijs voor een teekeningetje van die groote hetzij met potlood hetzij met de pen, heb ik bij me zelf gesteld te zijn een rijksdaalder8 – komt U dat onredelijk voor.
Neen – maar zegt hij – als zij goed uitvallen vraag ik er nog 12 van Amsterdam mits ge dan mij maar den prijs eens laat vaststellen, dan verdient ge er wat meer mee.–
Nu, mij dunkt dat is dus geen kwade afloop van een bezoek waartegen ik eenigermate had opgezien. Omdat ik toch met U heb afgesproken Theo, dat ik U de dingen maar zou vertellen zoo op mijn eigen manier, zooals ’t uit mijn pen komt, beschrijf ik U die kleine scènes zoo als ze zich voordoen. Te meer omdat ge zoodoende ofschoon afwezig toch een kijkje op mijn atelier hebt.
Ik verlang wel naar Uwe komst omdat ik dan nog serieuser met U kan spreken over b.v. ’tgeen betrekking heeft op t’huis.
 1r:4
De bestelling van C.M. is mij een lichtje! Ik zal die teekeningetjes trachten te soigneeren en er wat pit in te doen zijn. En en tout cas zult gij ze zien en ik geloof kerel, dat er meer zulke zaakjes te doen zijn. Liefhebbers voor teekeningetjes van frs 5 zijn te vinden.– Met wat oefening maak ik er iederen dag één en ziedaar, als ze wat vlotten een korst brood en een gulden voor ’t model per dag. De mooie tijd met lange dagen komt aan, ik maak het “soepkaartje”, d.i. het brood- & modelteekeningetje, ’t zij s’morgens ’t zij s’avonds en overdag studeer ik serieus naar ’t model. C.M. is èèn liefhebber die ik nu zelf heb gewonnen. Wie weet of ’t U niet lukt er een tweede op te doen dokken en misschien Tersteeg als hij bekomen is van zijn reprochefurie een derde, en dan kan ’t marcheeren.
Morgen ochtend ga ik een motief zoeken voor een van die voor C.M.
Van avond ben ik op Pulchri geweest – Tableaux vivants en een soort kluchtspel van Tony Offermans.9 Het kluchtspel heb ik maar laten schieten omdat ik niet tegen karikaturen en niet tegen de al te benaauwde lucht van een vergaderzaal kan doch de tableaux vivants wilde ik zien, vooral van wege ’t eene was naar een ets die ik aan Mauve cadeau gegeven had, Nicolaas Maas, de stal van Bethlehem.10 (het andere was Rembrandt, Isaac die Jakob zegent,11 met een superbe Rebekka die kijkt of haar list lukken zal.) De Nicolaas Maas was zeer goed van licht en bruin en zelfs kleur – doch van expressie geen dubbeltje waard mijns inziens. De expressie deugde gedecideerd niet. Ik heb dat eens in natura gezien, niet de geboorte van het kindeke Jesus evenwel maar de geboorte van een kalf. En ik weet nog fameus goed hoe dat van expressie was. Er stond een meisje bij, toen s’nachts in dien stal – in de Borinage – een bruin boerengezigtje met wit nachtmutsje o.a., zij had tranen in de oogen van compassie met de arme koe toen het beest zijn weeën kreeg en veel moeite had. Het was rein, heilig, wonderbaar schoon als een Corregio, als een Millet, als een Israels.– Och Theo – waarom gooit ge den boel niet naar de weerga en wordt schilder. Kerel – ge kunt het als ge wilt. Ik verdenk U wel eens dat gij een fameus paysagiste in U zelven achterbaks houdt. Mij dunkt gij zoudt fameus goed berkenstammen teekenen en de voren van een akker of stoppelveld trekken en sneeuw schilderen & lucht &c. Entre nous soit dit.– Je te serre la main.

t. à t.
Vincent

 2r:5
Ziehier een lijstje van hollandsche schilderijen voor den Salon bestemd.12
Israels, een oud man13 (als hij geen visscher was zou het Tom Carlyle (de schrijver van de French revolution & Olivier Cromwell)14 zijn want hij heeft bepaald dien karakteristieken kop van Carlisle), een oud man zit in een hutje bij een haard waarin een klein brokje turf nog even gloeit in de schemering. Want het is een donker hutje waar dat oud mannetje in zit, een oud hutje met een klein raampje met een wit gordijntje.– Zijn hond die met hem oud is geworden zit naast hem – die twee oudjes kijken elkaar aan, zij kijken elkaar in de oogen, die hond en dat mannetje. En intusschen haalt het mannetje zijn tabaksdoos uit zijn broekzak en hij stopt een pijpje zoo in de schemering. Anders niets – die schemering, die stilte, die eenzaamheid van die twee oudjes, mannetje en hond, dat elkaar kennen van die twee, dat nadenken van dien ouden man – waarover denkt hij – ik weet het niet – ik kan het niet zeggen – maar het moet een diepe, een lange gedachte zijn, iets, maar ik weet niet wat, uit lang verleden dat komt opdokken, misschien geeft dat die expressie op dat gelaat – een expressie weemoedig, tevreden, onderworpen, iets dat doet denken aan dat fameuse vers van Longfellow dat telkens eindigt, But the thoughts of youth are long long thoughts.15 Ik zou dat schilderij van Israels willen zien als pendant van la Mort & le bucheron van Millet.16 Ik weet bepaald geen ander schilderij dan deze Israels die het bij la mort et le bûcheron van Millet kan uithouden, dat men er te gelijk mee kan zien, ik weet van den anderen kant geen ander schilderij dat het naast deze Israels zou uithouden dan la mort & le bucheron van Millet, geen ander schilderij dat men te gelijk met deze Israels zien kan. Verder gevoel ik in mijn verbeelding een onweerstaanbaar streven om dat schij van Israels & dat andere van Millet tot elkaar te brengen en elkaar te doen completeeren. Mij dunkt wat er aan deze Israels mankeert mogt wezen dat la mort & le bucheron van Millet er digt bij hing, ’t een aan ’t eene eind, ’t andere aan ’t andere eind van een lange smalle zaal – met geen een ander schilderij in die galerij, dan die twee en zij alleen.
 2v:6
Het is een fameuse Israels, ik heb eigentlijk niets anders kunnen zien zoo greep het mij aan. En toch, er was een andere Israels, een kleine met meen ik 5 figuren of 6, arbeidersfamilie die aan tafel zit.17
Er is een Mauve, het groote schij van de pink die op de duinen wordt gesleept, het is een meesterstuk.
Ik heb nooit een goede preek over de resignatie gehoord noch me een goede kunnen verbeelden behalve dit schij van Mauve en het werk van Millet. Het is wel de resignatie maar de echte soort, niet die van de dominés. Die knollen, die arme gehavende knollen, zwart, wit, bruin, zij staan daar geduldig onderworpen, bereid, geresigneerd, stil. Ze moeten strakb de zware schuit nog ’t laatste endje slepen, de karwei is haast gedaan.– Eventjes stilstaan, ze hijgen, ze zijn bezweet maar ze murmureeren niet, ze protesteeren niet – ze klagen niet – over niets.– Daar zijn ze al lang over heen, sedert jaren overheen. Ze zijn geresigneerd nog wat te leven & te werken doch moeten ze morgen naar den vilder, que soit, zij zijn er toe bereid. Ik vind zoo’n fameus hooge, praktische, zwijgende philosophie in dit schilderij, het schijnt te zeggen,

savoir souffrir sans se plaindre, ça c’est la seule chose pratique, c’est là la grande science, la leçon à apprendre, la solution du problème de la vie.18

Mij dunkt dat dit schilderij van Mauve een van de zeldzame schilderijen zou zijn waarvoor Millet lang zou blijven staan en in zich zelven mompelen, il a du coeur ce peintre-là.19
Er waren nog andere schilderijen – ik moet zeggen ik heb er haast niet naar gekeken, ik had genoeg aan bovengenoemden.
 2v:7
Zeg Theo, zoudt gij die gedachte eens willen rumineeren of er geen fameus paysagiste in U zit. Wij moesten maar met ons tweeën schilder worden, court & bon, we zullen er den kost wel mee krijgen. Voor ’t figuur moet men meer trekos of werkezel zijn, meer homme de peine. There’s a long long thought for you – old boy.
 2r:8
Theo blijf wat beter dan HGT. HGT was beter dan nu toen ’k hem eerst kende, hij was toen nog korten tijd pas in de grootheid & pas getrouwd.20 Nu is hij bakker aan,c hij zit in de knip. Hij zal hoe langer hoe meer geheime rouwigheid des hartend krijgen over veel veel dingen en zal die moeten verbergen. De zaak is Theo, mijn broer, zich de handen niet te laten binden door wie dan ook, vooral met geen vergulden ketting. ’k moet zeggen de ketting waar Tersteeg aan zit is heel mooi om te zien maar wie doordenkt benijd die positie niet. Quoi qu’il en soit, artist is gezonder – de pecuniaire zorg is erg vooral, ik zeg nog eens, gij en gij als landschapschilder zoudt die nog eerder te boven zijn als ik ofschoon ook ik er eenmaal boven op kom. Maar gij, als ge seffense van wal steekt, haalt me nog in want het figuur is gecompliceerd, gaat langzamer.– Gij zult begrijpen ik spreek in vollen ernst.–

translation
 1r:1
My dear Theo,
You will have received my letters,1 I’m answering yours, received this afternoon. In accordance with your request, I immediately sent Tersteeg 10 guilders, lent to me this week by His Hon. I wrote to you about C.M.’s order, this is what happened. C.M. appeared to have spoken to Tersteeg before he came to see me, at any rate began talking about things like ‘earning your bread’. My answer suddenly came to me, quickly and, I believe, correctly. Here’s what I said: earn my bread, what do you mean by that? – to earn one’s bread or to deserve one’s bread — not to deserve one’s bread, that is to say, to be unworthy of one’s bread, that’s what’s a crime, every honest man being worthy of his crust — but as for not earning it at all, while at the same time deserving it, oh, that! is a misfortune and A great misfortune. So, if you’re saying to me here and now: you’re unworthy of your bread, I understand that you’re insulting me, but if you’re making the moderately fair comment to me that I don’t always earn it because sometimes I’m short of it, so be it, but what’s the use of making that comment to me? It’s scarcely useful to me if it ends there.2 I recently tried, I continued, to explain this to Tersteeg, but either he’s hard of hearing in that ear or my explanation was a little confused because of the pain his words caused me.  1v:2
C.M. then kept quiet about earning one’s bread.
The storm threatened again because I happened to mention the name Degroux in connection with expression. C.M. suddenly asked, But surely you know there was something untoward about Degroux’s private life?3
You understand that there C.M. touched a tender spot and ventured on to thin ice. I really can’t let that be said about good père Degroux. So I replied, it has always seemed to me that when an artist shows his work to people he has the right to keep to himself the inner struggle of his own private life (which is directly and inextricably connected with the singular difficulties involved in producing a work of art) – unless he unburdens himself to a very intimate friend. It is, I say, indelicate for a critic to dig up something blameworthy from the private life of someone whose work is above criticism. Degroux is a master like Millet, like Gavarni.
C.M. had certainly not viewed Gavarni, at least, as a master.
(To anyone but C.M. I could have expressed myself more succinctly by saying: an artist’s work and his private life are like a woman in childbed and her child. You may look at her child, but you may not lift up her chemise to see if there are any bloodstains on it, that would be indelicate on the occasion of a maternity visit.)  1v:3
I was already beginning to fear that C.M. would hold it against me – but fortunately things took a turn for the better. As a diversion I got out my portfolio with smaller studies and sketches. At first he said nothing – until we came to a little drawing that I’d sketched once with Breitner, parading around at midnight – namely Paddemoes (that Jewish quarter near the Nieuwe Kerk), seen from Turfmarkt. I’d set to work on it again the next morning with the pen.4
Jules Bakhuyzen had also looked at the thing and recognized the spot immediately.
Could you make more of those townscapes for me? said C.M. Certainly, because I amuse myself with them sometimes when I’ve worked myself to the bone with the model – here’s Vleersteeg5 – the Geest district6 – Vischmarkt.7 Make 12 of those for me. Certainly, I said, but that means we’re doing a bit of business, so let’s talk straightaway about the price. My price for a drawing of that size, whether with pencil or pen, I’ve fixed for myself at a rijksdaalder8 – does that seem unreasonable to you?
No – he simply says – if they turn out well I’ll ask for another 12 of Amsterdam, provided you let me fix the price, then you’ll earn a bit more.
Well, it seems to me that that’s not a bad way to end a visit I had rather dreaded. Because I actually made an agreement with you, Theo, simply to tell you things like this in my own way, as it flows from my pen, I’m describing these little scenes to you just as they happen. Especially because in this way, even though you’re absent, you get a glimpse of my studio anyway.
I’m longing for you to come, because then I can talk to you more seriously about things concerning home, for instance.  1r:4
C.M.’s order is a bright spot! I’ll try to do those drawings carefully and put some spirit into them. And in any case you’ll see them, and I believe, old chap, that there’s more of such business. Buyers for 5-franc drawings can be found. With a bit of practice, I’ll make one every day and voilà, if they sell well, a crust of bread and a guilder a day for the model. The lovely season with long days is approaching, I’ll make the ‘soup ticket’, i.e. the bread and model drawing, either in the morning or the evening, and during the day I’ll study seriously from the model. C.M. is one buyer I found myself. Who knows whether you won’t succeed in turning up a second, and perhaps Tersteeg, when he’s recovered from his reproachful fury, a third, and then things can move along.
Tomorrow morning I’ll go and look for a subject for one of those for C.M.
I was at Pulchri this evening – Tableaux vivants and a kind of farce by Tony Offermans.9 I skipped the farce, because I can’t stand caricatures or the fug of an assembly hall, but I wanted to see the tableaux vivants, especially because one of them was done after an etching I gave Mauve as a present, Nicolaas Maes, the stable at Bethlehem.10 (The other was Rembrandt, Isaac blessing Jacob,11 with a superb Rebecca who watches to see if her ruse will succeed.) The Nicolaas Maes was very good in chiaroscuro and even colour – but in my opinion not worth tuppence as far as expression goes. The expression was definitely wrong. I saw it once in real life, not the birth of the baby Jesus, mind you, but the birth of a calf. And I still know exactly what its expression was like. There was a girl there, at night in that stable – in the Borinage – a brown peasant face with a white night-cap among other things, she had tears in her eyes of compassion for the poor cow when the animal went into labour and was having great difficulty. It was pure, holy, wonderfully beautiful like a Correggio, like a Millet, like an Israëls. Oh Theo – why don’t you let it all go hang and become a painter? Old chap – you could do it if you wanted to. I sometimes suspect you of keeping a great landscapist hidden inside you. It seems to me you’d be extremely good at drawing birch trunks and sketching the furrows of a field or stubble field, and painting snow and sky &c. Just between you and me. I shake your hand.

Ever yours,
Vincent

 2r:5
Here’s a list of Dutch paintings intended for the Salon.12
Israëls, an old man13 (if he weren’t a fisherman he’d be Tom Carlyle – the author of the French Revolution and Oliver Cromwell14 – for he definitely has that distinctive head of Carlyle), an old man sits in a hut by the fireplace in which a small piece of peat barely glows in the twilight. For it’s a dark hut the old man sits in, an old hut with a small window with a little white curtain. His dog, who’s grown old with him, sits beside him – those two old creatures look at each other, they look each other in the eye, the dog and the old man. And meanwhile the man takes his tobacco box out of his trousers pocket and he fills his pipe like that in the twilight. Nothing else – the twilight, the quiet, the loneliness of those two old creatures, man and dog, the familiarity of those two, that old man thinking – what’s he thinking about? – I don’t know – I can’t say – but it must be a deep, a long thought, something, though I don’t know what, surfacing from long ago, perhaps that’s what gives that expression to his face – a melancholy, satisfied, submissive expression, something that recalls that famous verse by Longfellow that always ends, But the thoughts of youth are long long thoughts.15 I’d like to see that painting by Israëls as a pendant to Millet’s Death and the woodcutter.16 I definitely know of no other painting than this Israëls that can stand up to Millet’s Death and the woodcutter, that one can see at the same time, on the other hand I know of no other painting that could stand up to this Israëls than Millet’s Death and the woodcutter, no other painting that one can see at the same time as this Israëls. Moreover, I feel in my mind an irresistible desire to bring together that painting by Israëls and that other by Millet and make them complement each other. It seems to me that what this Israëls lacks is having Millet’s Death and the woodcutter hanging close by, one at one end and the other at the other end of a long, narrow room, with no other painting in that gallery but those two and them alone.  2v:6
It’s a fabulous Israëls, I couldn’t really see anything else, it made such a deep impression on me. And yet, there was another Israëls, a small one with 5 or 6 figures, I think, a labourer’s family at table.17
There’s a Mauve, the large painting of the pink being dragged onto the dunes, it’s a masterpiece.
I’ve never heard a good sermon about resignation nor been able to imagine one, except for this painting by Mauve and the work of Millet. It is indeed resignation, but the true kind, not that of the clergymen. Those nags, those poor, sorry-looking nags, black, white, brown, they stand there, patiently submissive, willing, resigned, still. They’ll soon have to drag the heavy boat the last bit of the way, the job’s almost done. They stand still for a moment, they pant, they’re covered in sweat, but they don’t murmur, they don’t protest – they don’t complain – about anything. They’re long past that, years ago already. They’re resigned to living and working a while longer, but if they have to go to the knacker’s yard tomorrow, so be it, they’re ready for it. I find such a wonderfully elevated, practical, wordless philosophy in this painting, it seems to be saying,

to know how to suffer without complaining, that’s the only practical thing, that’s the great skill, the lesson to learn, the solution to life’s problem.18

It seems to me that this painting by Mauve would be one of those rare paintings which Millet would stand in front of for a long time, mumbling to himself, he has a good heart, that painter.19
There were other paintings – I must say I scarcely looked at them, I had enough with the above-mentioned.  2v:7
Listen Theo, wouldn’t you like to ponder whether there’s not a great landscapist in you? We should both of us quite simply become painters, we’d be able to make a living at it. For the figure one must be more of a draught ox or work-horse, more a man of hard labour. There’s a long long thought for you – old boy.  2r:8
Theo, remain something better than HGT. When I first got to know him, HGT was better than now, he’d been a bigwig only a short time and was newly married.20 Now he’s been caught, he’s trapped. He’ll grow more and more to have secret regrets about many, many things and will be forced to conceal them. The thing is, Theo, my brother, not to let your hands be tied by anyone, especially not with a gilt chain. I have to say that the chain tying Tersteeg is very beautiful to look at, but anyone who thinks about it doesn’t envy his position. Be that as it may, artist is healthier – pecuniary difficulties are the greatest worry, I repeat, you, and you as a landscape painter, would surmount them sooner than I, though I, too, shall pull through some day. But, if you push off immediately, you’ll overtake me, because the figure is complicated, takes longer. You’ll understand that I speak in all seriousness.
notes
1. These were letters 208 and 209.
2. The fact that Van Gogh said this in French could mean that there was a model present; on a previous occasion Van Gogh had spoken to Tersteeg in English for the same reason (see letter 210).
3. A year after Degroux’s death Emile Leclerq described the artist as a solitary man who had turned his back on the world, a person with a ‘terrible melancholy’, a ‘condemned man’, ‘sad and profound’, who identified strongly with the deprived people he portrayed and whose depictions of hardship and abuse were distasteful to some people: ‘It was only dark emotions and feelings of quiet desperation that he rendered well; his inner self was visible everywhere. The cheerful note was present in his work only in the form of a misanthropic humour ... He was mercilessly tormented by a disease that was to overwhelm him, and a resigned melancholy was the essence of his character and his talent’. (Il n’a jamais bien rendu que les sensations sombres et les mouvements placidement désespérés: son moi se reflétait partout. La note gaie n’existe dans son oeuvre qu’à l’état d’humour misanthropique ... Inexorablement tenaillé par un mal qui devait le vaincre, une mélancolie résignée faisait le fond de son caractère et de son talent). See Emile Leclerq, Charles De Groux. Brussels 1871, espec. pp. 21 (quotation), 22, 28. Regarding Van Gogh’s discussion with Uncle Cor, see also letters 228 and 236.
a. Read: ‘nam’ (took, took out).
4. Street scene, ‘Paddemoes’ (F 918 / JH 111 ).
5. The drawing of Vleersteeg is not known.
6. Bakery in Noordstraat, ‘Geest’ (F 914 / JH 112 ).
7. The drawing of Vismarkt is not known.
8. A rijksdaalder is 2.50 guilders.
9. This took place on ‘Saturday, 11 March at half past seven in the evening (Hofje van Nieuwkoop)’, according to the announcement in Het Vaderland of 9 March 1882. The Dutch painter, musician, improviser and speaker Anton (Tony) Lodewijk George Offermans produced the farce presented that evening at the Hague artists’ society Pulchri. According to Gram, this was ‘a kind of revue, in which current events were criticized in the most entertaining way’, displaying ‘extraordinary humour and wit’. See Gram 1881, pp. 1-2; Van Gelder 1947, pp. 41-44, 53-54; and Van Kalmthout 1998, pp. 336-342.
10. For Nicolaes Maes’s etching The crib , see letter 40, n. 11.
11. The makers of this tableau vivant could have based their idea on the drawing Isaac blessing Jacob (London, Lady Melchett), but the theme was more likely taken from a work by one of Rembrandt’s pupils. The subject was especially popular among artists in the circle of Rembrandt; indeed, some of their paintings were long thought to be by his hand. This is true, for instance, of Isaac, Jacob and Rebecca by Govert Flinck, after which Johannes Pieter de Frey made an engraving, calling it ‘after Rembrandt’. Van Gogh knew prints by De Frey after Rembrandt (see letter 54). See The drawings of Rembrandt. Complete edition in six volumes by Otto Benesch. Ed. Eva Benesch. New York 1973, pp. 43, 250, cat. no. 892; and Hidde Hoekstra, Rembrandt en de bijbel. Verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament, door Rembrandt in schilderijen, etsen en tekeningen in beeld gebracht. Utrecht n.d., pp. 41-42.
12. Van Gogh saw the works of art mentioned below in Goupil’s ‘gallery of paintings’ in The Hague (cf. letter 212, l. 56).
13. Jozef Israëls, An old man – Fisher (Old friends) (Philadelphia Museum of Art, William L. Elkins Collection). Ill 192 . See exhib. cat. Paris 1882, p. 120, cat. no. 1388 under the title Dialogue silencieux (Silent dialogue); exhib. cat. Groningen 1999, pp. 201-203, cat. no. 36.
14. Thomas Carlyle wrote The French Revolution (1837), a dramatized account, and supplied the 1845 edition of Oliver Cromwell’s letters and speeches with highly personal commentary. Cf. letter 132 and the illustrated edition: Carlyle 1846. It is uncertain whether Van Gogh already knew Carlyle’s portrait from The Graphic, which he mentions a year later, but it definitely bears some resemblance to the head of the man in Israëls’s painting (see letter 325, n. 33).
15. Taken from Longfellow’s poem ‘My lost youth’, in which the line quoted recurs at the end of every verse. See letter 126, n. 19.
16. Jean-François Millet’s Death and the woodcutter, 1859 (Copenhagen, Ny Carlsberg Glyptotek). Ill. 283 . It is possible that Van Gogh knew Pierre Edmond Alexandre Hédouin’s print La mort et le bûcheron after this work, which had appeared in the Gazette des Beaux-Arts 1859, p. 364. See exhib. cat. Paris 1998, pp. 106-114, cat. nos. 49-52.
17. It was previously assumed that Van Gogh is referring here to Jozef Israëls’s Peasant family at table, 1882 (Amsterdam, Van Gogh Museum) Ill. 188 . This canvas measures 71 x 105 cm, however, and he speaks of ‘a small [one]’, so perhaps he is referring to one of the two variations of it, namely the version with six figures which was formerly in the Alexander Young Collection, 53.5 x 85 cm (present whereabouts unknown) or a smaller variation on panel, 48 x 69 cm (Sotheby’s London, 17 November 1985, no. 224). See exhib. cat. Amsterdam 1993, pp. 78-80, cat. no. 3 and Van Gogh Museum Journal 1995. Amsterdam and Zwolle 1995, p. 189. Cf. in this context the composition in the photogravure Peasants at table, published by Goupil (Amsterdam, Van Gogh Museum). Ill. 193 . This print was made after the painting The frugal meal (Glasgow, Art Gallery and Museum, Kelvingrove); see also letter 257, n. 18. Silent dialogue was, incidentally, the only work by Israëls at the Salon.
b. Read: ‘straks’ (soon).
18. The source of this quotation has not been traced. Van Gogh cites it again in letters 750 and 784; cf. also letter 826.
19. This is not a literal quotation from Sensier, but its meaning fits in with Millet’s ‘programme’ as a painter.
20. This refers to the period in which Van Gogh worked as a clerk in The Hague, from August 1869 to May 1873. In 1867 Tersteeg became the manager of Goupil’s Hague branch, at which time he and his wife, Maria Magdalena Alida Pronk, went there to live.
c. Read: ‘is hij er in gelopen’ (he’s been caught).
d. Literally ‘regretfulness of heart’; probably to be understood as ‘remorse’.
e. Meaning: ‘meteen’ (immediately).