Back to site

246 To Theo van Gogh. The Hague, Saturday, 15 and Sunday, 16 July 1882.

metadata
No. 246 (Brieven 1990 247, Complete Letters 215)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: The Hague, Saturday, 15 and Sunday, 16 July 1882

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. nos. b237 a-b V/1962

Date
The letter was written on the day that Sien was discharged from the hospital in Leiden (ll. 2-4). Assuming that she was discharged 14 days after giving birth, as Van Gogh expected in letter 243, the first part of the letter can be dated to Saturday, 15 July 1882. The second part was written a day later: ‘I began this letter yesterday evening’ (l. 189), thus on Sunday, 16 July 1882.

Ongoing topics
Sien has given birth in Leiden (242)
Van Gogh is recovering from his illness (241)
Planned visit by Theo (237)

original text
 1r:1
Waarde Theo,
Vrijdag ontving ik berigt uit het gasthuis te Leiden dat Sien Zaturdag mogt naar huis gaan. Zoodat ik heden daar geweest ben & wij te zamen terugkwamen en nu zij hier op den Schenkweg is – tot dusverre alles wel, zij en het kindje. Gelukkig heeft zij goed zog, het kindje is rustig.
Het zou me wat waard geweest zijn als gij haar gezien had vandaag. Haar voorkomen is, dit verzeker ik U, sedert dezen winter enorm veranderd. het is eene volkomen gedaanteverwisseling.
Is het dat ik van den winter daar iets aan gedaan heb en dat door Uw hulp natuurlijk, komt nog veel, veel meer op rekening van den professor die haar behandeld heeft. Maar waar de professor weer minder mee te maken heeft dat is met hetgeen de sterke genegenheid tusschen haar en mij op haar uitwerkt. Eene vrouw verandert als zij liefheeft en bemind wordt, is er niemand die om hun geeft dan gaat de fut er uit en de charme er af.1 Daar komt door uit wat in haar is en hiervan is gedecideerd haar ontwikkeling afhankelijk. De natuur moet haar vrijen loop hebben, den normalen weg gaan, wat een vrouw wil is met één man zijn en met dien vast voor goed. Dat kan niet altijd maar er is strijd tegen de natuur als het anders is. Zij heeft dus nu een andere expressie dan dezen winter, zij kijkt anders uit haar oogen, haar blik is nu vast en kalm en er is een uitdrukking van geluk in haar, van vrede en rust, te treffender omdat zij nu nog natuurlijk lijdend is. Ik heb U wel eens geschreven dat den vorm van haar hoofd, de lijn van haar profiel net precies is die van dat figuur van Landelle, l’ange de la passion.2 Dat is dus verre van gemeen,  1v:2 het is bepaald nobel, maar het valt niet altijd direkt in ’t oog. Van daag echter was het precies, precies. Vóór zij weg ging heeft de professor (die bepaald sympathie voor haar heeft3 – haar ook van vroeger kent – en nu dezen keer met bijzondere attentie haar behandeld heeft – en op haar verzoek (dat zijn oorzaak had in ’t geen ik met haar afsprak voor zij er heen ging) haar geheel en in alle opzigten onderzocht heeft) zich nog de moeite gegeven om lang met haar te spreken en uitvoerig omtrent wat zij doen en laten moet om er boven op te blijven, inlichtingen te geven.
1°   Zijn met één man – daar alles in haar gestel en temperament haar geschikt maakt voor huisselijk leven en gedecideerd ongeschikt tot een zoodanig leven als de misere van vroeger haar toe bragt.
2    dat zij veel buiten moet zijn en zoodra ze genoegzaam aangesterkt is veel loopen – massa’s lucht en frischheid inademen.
3    Voor voeding heeft hij gezegd wat zij gebruiken moet en wat haar kwaad kan.
4    zij moet zich veel wasschen met koud water en brandewijn4 en ook geregeld iedere week een heet bad hebben.
5    Moet zij geen emoties hebben die haar zenuwachtig maken: angst, spanning, onrust.
6    geen vloeren schrobben of dergelijk bepaald hard werk, vooral niet waar het hoofd naar de laagte wordt gehouden zooals bv. met een gang dweilen, ook vooral niet zware dingen optillen.
Dus hetgeen hij reeds vroeger gezegd had in hoofdzaak – alleen heeft hij nu ’t meer in bijzonderheden haar uitgelegd. Ik merk aan alles dat hij bepaald belang in haar stelt, hij heeft haar natuurlijk ook tamelijk uitvoerig over mij gesproken, weet van mijn ongesteldheid & zegt ik groot gelijk had naar ’t gasthuis te gaan, heeft haar zelfs precies gezegd hoe hij dacht ik het gekregen had; niet eens maar zeer dikwijls is hij er op terug gekomen of zij werkelijk vast met mij was – of ik haar niet in den steek zou laten – en toen  1v:3 zij hem dat bleef verzekeren, ook toen hij zeide dat zij het hem maar wijsmaakte, eindigde hij met, nu als je dan je man werkelijk vast hebt dan is er veel voor je gewonnen. Waar hij op tamboureerde bleef dat zij een huisselijk, geregeld en rustig leven moest hebben. Toen zij wegging kwam niet alleen de oppasseres van de zaal waar zij lag maar de hoofdoppasseres zelf ook haar nog goedendag zeggen. Ik was daarbij en daar ik tot driemaal toe van die persoon een brief had gehad toen Sien niet schrijven mogt hoe het ging, bedankte ik haar daar voor. En bleef zij nog een heel tijdje met ons praten. Het was gelukkig heel warm mooi weer en de reis ging best. De moeder van Sien en het meisje van Sien waren naar den Schenkweg gegaan en wachtten ons op. Het was werkelijk een heerlijk t’huiskomen en Sien was over alles in high spirits, over het wiegje vooral, over haar rieten stoel, over alles. Maar vooral was zij blij haar kleine meisje ook weer te zien, die van mij een paar nieuwe laarzen gekregen had voor de gelegenheid en er heel aardig uitzag.
Er was in Mei een combinatie van moeielijkheden, haar bevalling, mijn onwel worden, terwijl de kwestie hoe het gaan moest, waar zij naar toe moest, het nog compliceerden. In veel opzigten is er licht en uitkomst gekomen.
Nu heeft zij nog veel pijn bij tijden als reste vooral van de operatie met den forceps, er zijn verder nog andere noodzakelijke suites van haar kraam, er is de groote zwakte – maar het is haar aan te zien dat een hernieuwing en een opluiken
bij haar plaats heeft, een herstelling van haar ligchaam en een herstelling van haar ziel meteen. En er is nu hier een atmospheer van “t’huis” of “Home” of “eigen haard”. Ik kan mij begrijpen dat Michelet zegt, la femme c’est une religion.5
Gedurende 6 weken minstens na de bevalling zal zij waarschijnlijk pijn houden en zich zeer ontzien moeten. Ik geloof dat gij b.v. uit die attentie van den professor en van de hoofdoppasseres voor haar wel zien zult dat zij toch iemand is voor wie serieuse personen sympathie hebben want werkelijk is het iets bijzonders dat zij haar zóó gesoigneerd hebben. Toen ik in de kraamzaal kwam waar ik verscheiden andere patienten zag trof het mij zij toch een heel ander soort persoon was dan de anderen ofschoon zij toch eenvoudig genoeg is. Alleen er is meer geest en zenuwleven in haar, men kan zien dat lijden en het doormaken van  1r:4 moeielijke tijden haar verfijnd hebben.
Ik hoop dat gij geen scrupules zult hebben om met haar kennis te maken.
Ik heb mij bijzonder geamuseerd met hetgeen Sien me verteld heeft van haar gesprekken met den professor.– Dat was almagtig aardig en die man schijnt met bijzonder veel bonhomie te werk te gaan. b.v. zei hij: zeg eens, drinkt gij graag een bittertje en kunt gij sigaren rooken. Jawel, antwoorde zij. Ik vraag het daarom, zei hij, om je te zeggen dat ge dat niet hoeft te laten. Daarentegen kreeg zij een fameuse schrobbeering over azijn, mosterd en peper gebruiken.
Op dagen dat zij, wat ze dikwijls heeft, meer dorst gevoelt dan honger moet zij als geneesmiddel een bittertje gebruiken om eetlust op te wekken.
De lijst van versterkende middelen heeft hij gegeven, haar raadpleegende omtrent haar beurs. Ik zelf zal mij aan wat hij daaromtrent opgeeft ook houden. Vleesch is goed voor haar doch eens of tweemaal s’weeks is toch voldoende, iederen dag is volstrekt geen vereischte.
Haar eerste remedie, haar belangrijkste versterkende middel, dat was een eigen ’thuis hebben, daarop kwam hij telkens terug. Ik had er nog al tegen op gezien dat Sien misschien dingen zou moeten hebben die duur zouden uitkomen doch de levensmanier die hij heeft opgegeven is wel de zuinigste die men bedenken kan tegelijk. Zoodat ik dan ook wel degelijk geloof dat wij met frs 150 per maand rondkomen kunnen.
Sien heeft nog bovendien nog de boodschap meegekregen dat gedurende 2 jaar bij eventueele ziekte van haar kind zij gratis te Leiden den professor kan consulteeren en er ook gratis geneesmiddelen voor krijgen kan. Het is me niet alleen te doen kind, om je nu door je kraam heen te brengen, zei de professor, doch ik zou graag zien dat je over een jaar of wat een flinke krachtige vrouw waart, je hebt nog een heel leven voor je als je ’t geen ik je zeg niet in den wind slaat. Enfin hij heeft met haar gepraat en haar ingelicht als of hij haar eigen vader was in groote dingen en in kleine, en dus is zij t’huis gekomen heel wat opgewekter en helderder dan zij heenging.
 2r:5
Mij gaat het goed, maar ik heb gemerkt ik knapjes zwak geworden ben, wat wel bij zal trekken echter. Maar als ge rekent ik b.v. nu ruim twee maanden slechte spijsverteering, weinig eetlust, binnenkoortsb &c. gehad heb en gedeeltelijk nog heb, is dit niet te verwonderen. Het wateren is een boel vooruitgegaan tot dat een paar bijzonder gure, natte dagen mij weer min of meer nadeelig geinfluenceerd hebben. Een paar dagen lang was de straal bij het wateren weer krachtig en om zoo te zeggen geheel normaal. Ofschoon dat niet geheel gebleven is nu op ’t moment, is het toch een teeken, dunkt me, van vooruitgang en mogt het weer maar droog en warm blijven zooals heden, zou het sneller vooruitgaan. Ik ben ook weer aan ’t teekenen geweest en ofschoon het mij hoofdpijn veroorzaakt en spoedig vermoeit zal dat wel weer vlotten langzamerhand. Vooral daar ik zachtjes aan t’huis met de vrouw en het kind weer met poseeren zal kunnen beginnen. Mijn zwakte valt me echter tegen, alleen dergelijke dingen als ik gehad heb brengen ’t altijd mee.
De twee teekeningen die ik dezer dagen maakte zijn beiden aquarellen.6 Omdat ik eens een proef wilde nemen.
Het komt mij echter voor dat ik ook nu nog vooral er op moet blijven werken, op het eigentlijke teekenen, wat den grondslag van al het andere is. Maar zooals gij ’t in de laatste7 zaagt zal ik er langzamerhand in beginnen te wasschen.
Zoodra ik geheel beter ben wou ik wel eens nog meer serieus een bepaalde aquarel maken op harding omdat dit papier toelaat (meer dan het Whatman) dat men een solide fondsc of grond legt van zwart en wit voor men begint te wasschen zonder dat dit het aspect van aquarel wegneemt. Alleen nu kan ik nog niet lang genoeg aan een stuk werken, wat me erg contrarieert daar ik zoo sterk naar het werk verlang en om naar buiten te gaan. Intusschen ben ik al vast blij dat ik weer ten minste iets doen kan.
Ik begon dezen brief gisteren avond en ik kan U nu nog vertellen dat wij, n.l. de vrouw en de twee kinderen en ik, den nacht op den grooten zolder hebben doorgebragt.
 2v:6
Die slaapkamer heeft veel weg van het ruim van een schip omdat het geheel betimmerd is en ik houd die voor zeer gezond. Het wiegje moet overdag naar beneden. Het is best gegaan en als er van buiten geen onaangenaamheden komen, wat ik wel hoop heb niet het geval zal zijn, zullen wij binnen het wel zamen schipperen. Met mij is het zoo dat ik het gezelschap van de vrouw en van de kinderen niet vreemd vind maar mij precies gevoel als of ik meer in mijn element ben en het al veel langer zoo geweest was. Mijn handen uit te steken om dingen te doen waar de vrouw te zwak voor is, b.v. het bed opmaken of duizend andere zaken, is mij niet ongewoon. ’t zij voor me zelf ’t zij dikwijls genoeg voor zieken &c.8 is me van allerlei van dien aard voorgekomen. En dat die dingen het schilder- & teekenwerk niet hinderen bewijzen de oude hollandsche schilderijen & teekeningen genoeg. Dat het atelier en het huisgezin in elkaar vloeit kan geen kwaad, vooral waar ’t figuur geldt. Ik herinner mij wel interieurs van ateliers van Ostade, kleine teekeningetjes met de pen, waarschijnlijk brokjes uit zijn eigen huis die genoeg doen zien dat het atelier van Ostade waarschijnlijk weinig had van die ateliers waar men Oostersche wapens en vazen en Perzische tapijten &c. vindt.9
Om nog eens wat bepaald over kunst te spreken, ik voel soms grooten lust om weer eens te gaan schilderen. Het atelier is nu ruimer, het licht beter, ik heb een goede kast om verf &c. te bewaren zonder dat het al te veel rommel en vuil geeft. Ik ben ook reeds dadelijk reeds weer met waterverf begonnen. Het hangt af van mijn beter worden maar zoodra ik geen gevaar meer loop om in te storten en flink naar buiten kan gaan en buiten stil zitten is ’t mijn plan dat alles weer op te vatten en er alle kracht achter te zetten. Ik geloof dat nu Sien & ik zamenwonen en het niet als ’t ware twee afzonderlijke huishoudentjes zijn, ik van frs 150 per maand meer zal kunnen afzonderen voor schilderbenoodigdheden dan tot dusver. Noch Sien noch ik zien er tegen op ons te behelpen en zouden zoo lang ik niet meer zelf verdien met teekeningen te verkoopen b.v. weinig meer meubels of huisgerij willen nemen. Want veel liever wachten zij en ik met al zulk soort van dingen dan nu meer geld op te nemen, zelfs gesteld wij konden het krijgen.
 2v:7
Sien, zoodra ze hersteld is, zal van haar kant met het poseeren ook weer serieus beginnen, en ik verzeker U haar figuur aardig genoeg is. Dat zij het poseeren wel weet te vatten en er geschikt voor is ziet gij trouwens vast zelf wel eenigzins in Sorrow b.v. en een paar anderen die gij hebt.10
Ik heb nog verscheiden naaktstudies11 die ge nog niet gezien hebt, daar wou ik ook bepaald nog verder mee doorgaan zoodra zij maar klaar is want daar leert men veel van.
Al was het dat ik nog geruimen tijd het eigentlijke buiten werken laten moest als het (t’geen ik niet hoop) eens mogt tegen loopen met mijn ongesteldheid, dan zal ik nu in elk geval binnenshuis stof hebben en niet leeg hoeven te zitten.
Van Pa en Moe heb ik een vriendelijken brief. Verbeeld U, zelfs weer met twee couponnetjes er in. Dat echter moeten zij nu niet meer doen, ik weet dat zij het zelf noodig hebben en met het geld van U, nu dat de dingen zoo’n goeden keer genomen hebben wat betreft den toestand van Sien en ik ook beter wordt, zeg ik nog eens, zullen wij rondkomen.
Ik heb dus werkelijk liever het geld van Pa en Moe niet. Zooals ik U schreef wou ik zelfs zoodra ik het uitsparen kan en de vrouw beter is aan Pa wat sturen voor een reisje naar hier om dan over een en ander te spreken. Wat mij meer pleizier doet dan de couponnetjes is dat zij in zoo’n stemming zijn als denk ik het beste is in de gegevenen zoodat dan als ik hun over Sien spreek zij hoop ik niet al dadelijk er tegen zullen zijn maar met goedwilligheid het zullen opnemen.
Dezer dagen heb ik nog de tentoonstelling fransche kunst gezien (aan de Boschkant) uit de collecties Mesdag, Post &c.12
Er is veel moois daar van Dupré, Corot, Daubigny, Diaz, Courbet, Breton, Jacque &c. Ik vond bijzonder mooi ook die groote schets van Th. Rousseau uit de coll. Mesdag, een drift koeijen in de Alpen.13  2r:8 En een landschap van Courbet,14 geele heuvelachtige zandgronden, hier en daar begroeid met frisch jong gras, met zwarte houtkanten waartegen een paar witte berkenstammen uitkomen, wijd weg grijze gebouwtjes met roode & blaauw leijen daken. En een smalle, lichte, fijn grijze strook lucht er boven. De horizont zeer hoog echter zoo dat de grond hoofdzaak is en dat fijne strookje lucht eigentlijk meer als contrast dient om de ruwe stof van de massas donkere aarde beter te doen voelen.
Ik vind dit wel het mooist wat ik tot nog toe van Courbet gezien heb.
De Duprés zijn superbe15 en er is een Daubigny, groote stroodaken tegen de helling van een heuvel, waar ik niet genoeg op kijken kon.16
Zoo ook een kleine Corot, een water en lisiere de bois op een zomermorgen om 4 uur of daaromtrent.17 Één enkel klein rose wolkje wijst aan dat de zon over een tijdje zal opkomen. Een stilte en een kalmte en een vrede waar men door betooverd wordt.
Ik ben blij ik dat alles nog heb gezien.
Nu, ik ga dezen eindigen, ik hoop dat gij spoedig eens schrijven zult en vooral dat gij werkelijk tegen Augustus eens naar Holland komt. Ik schrijf U wel “tusschen de bedrijven in” want dat er nu van allerlei komt kijken kunt gij denken. Ik laat Sien wel scharrelen maar ik moet er altijd op letten wat zij doet om toevalligerwijs altijd present te zijn als zij een handje hulp noodig heeft. Want zij is werkelijk nog heel zwak (zoo dat de professor, verteld ze, gezegd heeft “verdomd” zwak) en toch is het goed dat zij door ’t een of ander te doen afleiding heeft. Al wat haar wat opvroolijkt en blijmoedig maakt is medicijn voor haar. Het kindje is ook volstrekt niet buiten gevaar – gij weet op welke manier haar verlossing heeft plaats gehad – dat heeft ook altijd op het kind invloed en voor we een week of 6 verder zijn is er weinig van te zeggen hoe het er mee zal gaan. Veel hangt van het zog af natuurlijk. Ik hoop het U niet te erg verveelt dit alles te lezen, ik wilde maar een woordje schrijven en het is een langen brief geworden. Ik ben nog niet à court maar is het dat gij tegen den twintigsten wat zenden kunt, zou voor de latere dagen der maand wel goed uitkomen.
à Dieu, met een hartelijken handdruk in gedachten.

t. à t.
Vincent

translation
 1r:1
My dear Theo,
On Friday I received a message from the hospital in Leiden to say that Sien could go home on Saturday. So I went there today and we came back together and she’s now here at Schenkweg — so far everything is fine, both with her and the baby. Fortunately, she has good milk, the baby is quiet.
I would have given a lot to have you see her today. Her appearance has changed enormously, I assure you, since this winter. It’s a complete transformation.
I may have had something to do with that this winter, through your help of course, but much, much more of the credit must go to the professor who treated her. But in turn the professor had less to do with the effect on her of the strong attachment between her and me. A woman changes when she loves and is loved; if there’s no one who cares for them the drive and charm goes.1 It brings out what is in her, and her development most decidedly depends on this. Nature must run its course, follow its normal way. What a woman wants is to be with one man and to stay with him for good. That’s not always possible, but if it is otherwise it goes against nature. So she now has a different look compared to last winter, her eyes are different, her gaze is now steady and calm, and there’s an expression of happiness in her, of peace and rest, which is all the more striking because of course she’s still in pain. I’ve written to you before that the shape of her head, the line of her profile, is precisely that of that figure by Landelle, the Angel of the passion.2 So that’s far from ordinary,  1v:2 it’s decidedly noble, but it isn’t always immediately apparent. But today it was precisely, precisely that. Before she left, the professor (who has taken a liking to her3 — also knows her from the past — and gave her special attention this time — and examined her completely and thoroughly at her request, prompted by what I had agreed with her before she went there) took the trouble to have a long talk with her and give her detailed information about what she must do to stay on top of things.
 1°   Be with one man, since her whole constitution and temperament make her suitable for domestic life and decidedly unsuited to the kind of life she was brought to by her past misery.
2    That she must be out of doors often, and do plenty of walking as soon as she’s strong enough — breathe in lots of air and freshness.
3    As to food, he told her what she must eat and what isn’t good for her.
4    She must wash often with cold water and brandy,4 and regularly take a hot bath every week.
5    She must avoid emotions that make her nervous: anxiety, tension, agitation.
6    No scrubbing floors or similar really hard work, especially not with the head lowered as when mopping a corridor, also especially no lifting of heavy objects.
Thus broadly what he’d already said before, only now he explained it to her in more detail. It’s clear to me from everything that he takes a special interest in her. Naturally, he also talked to her about me at some length; knows about my illness, and says I was quite right to go to the hospital, even told her exactly how he thinks I got it; not once but repeatedly he came back to whether she was really with me permanently – whether I wouldn’t leave her in the lurch – and when  1v:3 she continued to reassure him, even when he said that she was just fooling him, he ended by saying, well, if you’ve really got your man for good, you’ve gained a great deal. He kept hammering on the point that she must have a domestic, regular and quiet life. When she left, not only the nurse on the ward where she was but also the head nurse herself came to say goodbye. I was there, and since I had had three letters from this person telling me how things were going when Sien wasn’t allowed to write, I thanked her for that. And she stayed talking to us for quite a long time. Fortunately, it was very warm, fine weather and the journey went well. Sien’s mother and Sien’s little girl had gone to Schenkweg and were waiting for us. It really was a lovely homecoming, and Sien was in high spirits over everything, especially over the cradle, over her wicker chair, over everything. But above all she was delighted to see her little girl again, who had received a new pair of boots from me for the occasion and looked very nice.
In May there was a combination of difficulties, her confinement, my illness, and this was complicated by the question of what to do, where she was to go. In many respects, light and a resolution have come.
She’s now still in considerable pain at times, mainly as a consequence of the operation with forceps, and there are other necessary effects of her confinement. There’s the great weakness, but one can see from her appearance that she’s undergoing a renewal and a blossoming, a recovery of her body and a recovery of her soul at the same time. And here there is now an atmosphere of ‘home’, or ‘Home’a or ‘hearth and home’. I can understand that Michelet says ‘Woman is a religion’.5
She’ll probably continue to be in pain for at least 6 weeks after the birth, and mustn’t overdo things at all. I believe that you can see, for example, from the interest taken in her by the professor and the head nurse that she’s someone for whom serious people feel a sympathy, because it really is something special for them to have cosseted her so much. When I was in the maternity ward and saw various other patients, it struck me that she was a very different type of person from the others, though she’s simple enough. Only there’s more spirit and sensitivity in her; one can see that suffering and going through hard times  1r:4 have refined her.
I hope you won’t feel any scruples about meeting her.
I’ve been greatly entertained by what Sien has told me of her conversations with the professor. It really was amusing, and the man seems to go about his work with a good deal of bonhomie. For example, he said: tell me, do you enjoy a glass of bitters and can you smoke cigars? Yes, she replied. I ask, he said, in order to tell you that you don’t need to give that up. On the other hand, she got a terrible dressing down about using vinegar, mustard and pepper.
On days when she feels more thirst than hunger, as often happens, she is to take a glass of bitters as a medicine to stimulate the appetite.
He has given her the list of restoratives, having consulted her as to her means. I’ll also keep to what he recommends in this respect. Meat is good for her, but once or twice a week is actually enough; it certainly isn’t required every day.
Her principal remedy, her most important restorative, was having a home; he kept coming back to that. I had been rather concerned that Sien might need things that would prove expensive, but the kind of life that he has prescribed is also the thriftiest one could imagine. So I really do believe we’ll be able to manage on 150 francs a month.
Sien was also told that for a period of 2 years she can consult the professor in Leiden free of charge if her child is ill, and also get free medicines there for him. My concern, child, is not just to get you through your confinement, said the professor, but also in a year or so I hope to see you a strong, vigorous woman. You have a whole life ahead of you if you don’t ignore what I say. In short, he talked to her and gave her information as if he were her own father, in large things and in small. And so she came home much more cheerful and clear-headed than when she left.  2r:5
I am well, but I’ve noticed that I’ve become quite weak; this will pass, though. But it isn’t surprising if you reckon that for over two months I have had and still have, to some extent, for instance, poor digestion, little appetite, chronic fever, &c. Passing water was much better until a few particularly raw, wet days had a rather adverse effect on me. For several days the stream on passing water was again strong and, so to speak, entirely normal. While that hasn’t completely continued since, it’s nevertheless a sign of progress, it seems to me, and if the weather stays dry and warm like today it will progress more rapidly. I’ve been drawing again, and although it gave me a headache and soon tired me out, it will gradually improve. Especially since little by little I’ll be able to resume posing the woman and child at home. My weakness is a disappointment, but the sort of things I had always have that effect.
The two drawings I’ve done in the past few days are both watercolours.6 Because I wanted to make an experiment.
It seems to me, though, that I must still keep working mainly at pure drawing, which is the foundation of all the rest. But as you saw in the latest,7 I’m gradually beginning to use wash.
As soon as I’m fully recovered I would like to make a more serious attempt at a particular watercolour on Harding, because that paper (more than Whatman) allows you to apply a solid basis or ground in black and white before starting to wash, without it taking away the look of watercolour. But at present I can’t work for long enough at a time on a piece, which is very frustrating because I long so much to work and to go outdoors. Meanwhile I’m glad that at least I can now do a little again.
I began this letter yesterday evening and I can now tell you that we, namely the woman and the two children and I, spent the night in the big attic.  2v:6
That bedroom looks a lot like a ship’s hold because it’s all panelled, and I believe that to be very healthy. The cradle has to go downstairs during the day. It all went fine, and as long as there’s no unpleasantness from outside, which I have hopes there won’t be, we’ll get along quite well inside. As for me, I don’t find the company of the woman and the children odd, but feel precisely as if I’m more in my element and as if things had been like this for much longer. I’m quite used to rolling up my sleeves to do things that the woman is too weak for, such as making the bed or a thousand other chores. I’ve faced all manner of tasks like that, either for myself or often enough for the sick &c.8 And that those things aren’t an impediment to the work of painting and drawing is amply proved by the old Dutch paintings and drawings. It can do no harm to have the studio and family blending together, especially as regards figure drawing. I remember studio interiors by Ostade, small pen drawings, probably bits of his own house, which make it clear enough that Ostade’s studio probably bore little resemblance to those studios where there are oriental arms and vases and Persian carpets &c.9
To continue on the subject of art, I sometimes feel a great desire to get back to painting. The studio is now more spacious, the light better, I have a good cupboard for keeping paint &c. without creating too much mess and dirt. Also, I’ve already straightaway started working with watercolour again. It depends on my recovery, but as soon as I no longer run the risk of collapsing and can go outdoors for long periods and sit quietly in the open, I plan to take all that up again and put all my energy into it. I believe that now that Sien and I are living together and are no longer two separate households, as it were, I’ll be able to save more for painting materials from 150 francs a month than before. Neither Sien nor I mind making do, and as long as I don’t earn more myself by selling drawings we won’t buy much more in the way of furniture or household items, for example. For she and I would both much rather wait for those sorts of things than take more money now, even if we could get it.  2v:7
For her part, Sien will start posing again seriously as soon as she has recovered, and I assure you her figure is interesting enough. In fact, you can see for yourself in Sorrow, for example, and a few of the others you have, that she knows how to approach posing and is suited to it.10
I have several nude studies11 that you haven’t seen yet. I also definitely want to continue with them as soon as she’s ready, because one learns a great deal from that.
Even if I have to give up working out of doors for a considerable time if my health deteriorates (which I hope won’t happen), at any rate now I’ll have enough material indoors to occupy myself.
I’ve had a friendly letter from Pa and Ma. Just imagine, again with two money orders enclosed, even. They mustn’t do that any more, though. I know they need it themselves, and I say again that we can manage with the money from you now that things are turning out so well as regards the improvement in Sien’s condition, and mine too.
So I really would rather not have the money from Pa and Ma. As I wrote to you, as soon as I can save the money and the woman is better I even wanted to send some to Pa to pay for a journey here so that we can discuss this and that. What pleases me more than the money orders is that they’re in what seems to me the best mood in the circumstances, so that when I speak to them about Sien they won’t, I hope, immediately be against it but respond with good will.
I recently saw the exhibition of French art (on the Boschkant) from the collections of Mesdag, Post &c.12
There are many beautiful things there by Dupré, Corot, Daubigny, Diaz, Courbet, Breton, Jacque &c. I especially liked the large sketch by T. Rousseau from the Mesdag collection, a drove of cattle in the Alps.13  2r:8 And a landscape by Courbet:14 yellow hilly, sandy ground, with fresh young grass growing here and there, with black brushwood fences against which a few white birch trunks stand out, grey buildings in the distance with red and blue slate roofs. And a narrow, small, light delicate grey band of sky above. The horizon very high, however, so that the ground is the main thing, and the delicate little band of sky really serves more as contrast to bring out the rough texture of the masses of dark earth.
I think this is the most beautiful work by Courbet that I’ve seen so far.
The Duprés are superb,15 and there’s a Daubigny, big thatched roofs against the slope of a hill, that I couldn’t get enough of.16
The same goes for a small Corot, a stretch of water and the edge of a wood on a summer morning about 4 o’clock.17 A single small pink cloud indicates that the sun will come up in a while. A stillness and calm and peace that enchants one.
I’m glad to have seen all this.
Well, I’m going to close. I hope that you’ll write soon and above all that you really will come to Holland towards August. I’m writing to you ‘in between jobs’ because, as you can imagine, there’s a lot to be done now. I let Sien potter about but I always have to keep an eye on what she’s doing so that I can chance to be at hand if she needs help. For she really is very weak still (so much so that the professor, she told me, said ‘damned’ weak), and yet it’s good that in doing this and that she has a distraction. Anything that cheers her up and makes her light-hearted is medicine for her. The baby, too, is far from out of danger — you know how the child was delivered — that always has an effect on the child, and little can be said as to how it will turn out for another 6 weeks. Much depends on the milk, of course. I hope you’re not too bored reading all this, I wanted to write a brief word and it has turned into a long letter. I’m not yet running short, but if you could send something around the twentieth that would be helpful for the last days of the month.
Adieu, with a hearty handshake in thought.

Ever yours,
Vincent
notes
1. These ideas, which recur in the continuation of the letter, are derived from the views put forward in Michelet’s La femme and L’amour.
2. For this comparison with Landelle, see letter 234.
3. The doctor who treated Sien was Prof. A.E. Simon Thomas: see letter 224, n. 4.
4. External use of brandy was recommended for ulcers and infections. See M.A. van Andel, Volksgeneeskunst in Nederland. Utrecht 1909, p. 387.
a. ‘Home’ was written in English.
5. ‘La femme est une réligion’ (Woman is a religion) is the title of a chapter in Jules Michelet, La femme (part 1, chapter 6). See Michelet 1863, pp. 112-126; also cited on pp. 117 and 355. Moreover, in L’amour he wrote: ‘Objet sacré, ne craignez rien. Vous êtes une réligion’ (Sacred object, fear nothing. You are a religion) (p. 151).
b. Means: ‘a persistent fever that slowly undermines the constitution’.
6. It is not known which watercolours these are.
7. Either Carpenter’s yard and laundry (F 944 / JH 153 ), or another, unknown drawing of the same subject (see letter 245, n. 2).
c. Read: ‘fond’ (basis).
8. Van Gogh had cared for the sick during his time in the Borinage.
9. One example of a pen drawing of a studio by Adriaen van Ostade is The studio (Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett). Ill. 1932 . See also letter 114, n. 11 for the lithograph The studio of Adriaen van Ostade . Van Gogh made a similar gibe at academic studios in letter 253.
10. Sien’s figure could have been known to Theo from the two unknown versions of Sorrow which he had at this time (see letters 216 and 222), as well as from the figure studies mentioned in letter 224: Seated woman (F 935 /JH 143) or Seated woman (F 937 / JH 144) and Woman sewing (F 932 / JH 145 ).
11. It is not known which ‘nude studies’ are referred to here.
12. The reference is to the ‘Tentoonstelling van schilderijen (uit particuliere verzamelingen) ten voordeele van het fonds der Academie’ (Exhibition of paintings ((from private collections)) for the benefit of the Academy’s fund), Academy of Fine Arts, The Hague, which was originally to be held from 15 June to 9 July 1882 but was extended to 16 July (according to a report in Het Vaderland of 10 July 1882). Prinsessegracht was known as ‘Boschkant’ because it was opposite the Haagse Bos.
The 51 works exhibited came from the collections of H.W. Mesdag (15 works), T. Mesdag Kz. (10 works) and F.H.M. Post (12 works) as mentioned, and also those of J. Verstolk-Völcker and H.J. van Wisselingh. The following artists were represented (number of works between brackets): Bergeret (1), Rosa Bonheur (1), Emile Adélard Breton (2), Jules Breton (1), Corot (10), Courbet (4), Daubigny (5), Diaz de la Peña (8), Dupré (4), Jacque (2), Mancini (1), Mettling (1), Munkacsy (1), Ricard (1), Th. Rousseau (3), Trayer (1), Troyon (4), Vollon (1). See exhib. cat. The Hague 1882-2.
13. Théodore Rousseau, The descent of the cattle in the High Jura mountains, c. 1835-1836 (The Hague, The Mesdag Collection). The work measures 259 x 162 cm. Ill. 402 . See exhib. cat. The Hague 1882-2, p. 14, no. 43; and cat. The Hague 1996, pp. 381-384, cat. nos. 286-287.
14. Gustave Courbet, Hilly landscape, c. 1858-1859 (The Hague, The Mesdag Collection). Ill. 731 . See exhib. cat. The Hague 1882-2, p. 7, no. 17 and cat. The Hague 1996, pp. 140-141, cat. no. 72. The attribution to Courbet is not undisputed.
15. The works by Jules Dupré in the exhibition were: November (November) (cat. no. 33; cf. cat. The Hague 1996, pp. 187-188, cat. no. 122), Heide bij ondergaande zon (Heath at sunset) (cat. no. 34), Berglandschap (Mountain landscape) (cat. no. 35) and Avondstond (Evening) (cat. no. 36; cf. cat. The Hague 1996, p. 190, cat. no. 126).
16. Van Gogh’s description doubtless refers to Charles-François Daubigny’s Dorp in Frankrijk (Un chemin à Auvers) (Village in France (A road in Auvers)) (present whereabouts unknown). See exhib. cat. The Hague 1882-2, p. 8, no. 22, and Hellebranth 1976, p. 55, cat. no. 145. Ill. 42
17. Here Van Gogh is probably referring to Vijver bij Ville d’Avray (Pond at Ville-d’Avray) (p. 5, no. 8) from the J. Verstolk-Völcker collection (present whereabouts unknown). There had been a description of it in Het Vaderland of Monday, 26 June 1882.