Back to site

282 To Theo van Gogh. The Hague, Tuesday, 14 November 1882.

metadata
No. 282 (Brieven 1990 284, Complete Letters 244)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: The Hague, Tuesday, 14 November 1882

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. no. b266 V/1962

Date
Letter headed: ‘Dinsdag’. In l. 9 Van Gogh himself gives the date, 14 November. The subjects discussed make it clear that this must be 1882, for example a ‘proof of a lithograph’ (l. 5), mentioned in letter 281 of on or about 7 November 1882.

Ongoing topic
Van Gogh is expecting lithographic paper from Buhot and explanatory information (280)

original text
 1r:1
Dinsdag.

Waarde Theo
Een enkel woord om U te vragen of gij mijn laatste schrijven ontvangen hebt alsmede een rolletje ook per post gezonden, inhoudende eene proef van eene lithographie.–1 De reden ik onwillekeurig begin te denken zulks niet in Uwe handen gekomen is maar misschien weggeraakt, of dat Uw brief weggeraakt is, is dat ik sedert nog niets van U hoorde en we bovendien heden reeds 14 Nov. hebben. Ik zit sedert een dag of 5 of 6 reeds letterlijk zonder geld en ik zit daardoor ook vast met mijn werk, althans kan niet zooals ik zou willen. Ik acht het echter waarschijnlijk de reden is ge me tegelijk met Uw schrijven en het geld de door mij gevraagde informaties omtrent het lithographisch procede & de autographische inkt hebt willen zenden & daarop hebt moeten wachten. En hoop ’t zich misschien nog heden wel zoo zal ophelderen. Maar van den anderen kant ben ik altijd zenuwachtig als er zoo iets is en kan niet laten zorg te hebben en ben dan bang misschien iets geschreven of gedaan te hebben dat ge niet goedvindt.
Zoo tobde ik er van nacht over dat ge misschien niet goed gevonden hebt ik mijne lithographie liet afdrukken, misschien in verband met wat ik schreef de conclusie zoudt maken ik van plan was iets uit te geven of zoo. Enfin ik tobde er over of er iets zijn kon. Waarschijnlijk echter is er niets. Om evenwel zekerheid te hebben schrijf ik U er eens over dat ge niet moet verwarren uitgaven en proefnemingen om een procede te leeren kennen. Eerstgenoemden, n.l. uitgaven, zijn dingen waarin ik eer ik ze ondernam zeer zeker U zou raadplegen en voorloopig denk ik daar geenszins aan  1v:2 en bemoei mij zoo als ge trouwens weet met mijn teekeningen en ’t artistieke gedeelte van ’t werk zonder meer. Daartoe hooren echter ook wel degelijk deze proeven die ik neem en niets is natuurlijker dan dat ik er aan werk. Rappard nam in der tijd b.v. proeven met etsen op de zelfde wijs die hij ook moest laten drukken2 maar het drukken dat een artist doet is niet iets uitgeven of heeft niets direkt met den handel te maken en is geheel privé.
Dit komt mij zoo klaar als den dag voor maar, zoo als ik zeg, van nacht was ik er over aan ’t tobben of misschien gij het als eene demarche van een heel anderen aard zoudt hebben kunnen opvatten daar ’t mij bevreemde nog geen brief te hebben.
Nu, ik hoop dat het blijken zal ik mij niet bezorgd had hoeven te maken.
Ik hoop integendeel dat gij geslaagd zijt met Uw informaties betreffende dezelfde zaak, n.l. iets omtrent procedés kunt zeggen.
Op hetgeen mij resteerde van het drukpapier heb ik verl. week nog eene proef genomen met het figuurtje Sorrow.3
Als ik zoo even zeide dat in verband met mijn vorig schrijven ik mij ongerust maakte dat gij misschien iets denken zoudt dat mijn bedoeling niet was, zoo is daarvan de oorzaak dat ik mij herinnerde gezegd te hebben iets als ’t volgende:
 1v:3
ik zou het flink vinden indien we voor eigen rekening eenige dezer bladen lieten afdrukken, dat zou ons meer aplomb geven bij de directies der illustraties.
Nu is mijne gedachte daaromtrent geenszins dat ’t geen wij voor eigen rekening mogten laten drukken ook door mij of U geexploiteerd zou worden. Daaraan dacht of denkt geen haar op mijn hoofd doch wel dat als men zich ergens presenteert om werk te vragen het goed is men iets van zijn werk kunne laten zien. Dat haalt woorden uita en is meer praktisch.
Dat ik ’t niet onwaarschijnlijk acht met der tijd dingen te maken die in handen van ’t publiek zullen komen is iets ’t welk mij betrekkelijk zeer koel laat en dat ik geenszins beschouw als iets pleizierigs. Twee redenen zouden er me toe brengen, vooreerst als ik emplooi kreeg bij een illustratie en dan natuurlijk zou moeten maken wat die meebragt, ten tweede – iets van later zorg – ofschoon ik daar wel degelijk aan denk – als ik vroeger of later iets heb dat een geheel vormt en een strekking heeft en iets zegt, dan zou ik, doch niet zonder er U in te kennen of te raadpleegen, er toe kunnen komen indien ik er niemand voor vond zelf het uit te geven.
Zoo iets zou waarschijnlijk me eer geld kosten dan geld opbrengen – zou zijn ter wille van de kunst en niet om reden van eigen voordeel het eerst of het meest. Van zoo iets, indien ik ’t ooit deed zoudt ge alles weten en dat zou in geen enkel opzigt – anders zou ik ’t laten natuurlijk – ’t zij wat ’t werk ’t zij wat de uitgaaf betreft – oneerlijk zijn.
 1r:4
Indien er dus (doch ik denk ’t wel niet maar in mijn zenuwachtigheid, daar ’k niets anders kon vinden, kwam mij die zinsnede uit mijn brief in de gedachten), indien er dus iets was dat ge hadt opgevat als demarche van mij om iets van uitgeven te ondernemen, wees verzekerd zulks niets anders is of voorloopig zijn zal dan proeven die allen die etsen of lithographieeren of op een of andere wijs hun teekeningen reproduceeren, nemen moeten om de procedes en de krachten van ’t zwart & wit te leeren kennen. Indien ook een of ander blad dat reusseert door den maker er van wordt gedrukt in een zeker aantal exemplaren, zoo zou dit bij mij althans zijn en is bij de meesten die zoo iets doen, iets van absoluut artistieken aard en zonder de minste relatie met uitgaven op handelsgebied.
Indien ik niet bij ondervinding had dat er misverstanden kunnen plaats hebben in kwesties als ’t laten kijken van teekeningen (en het laten kijken van gedrukte proeven er van is van den zelfden aard) en zulks dikwijls als een pedanterie wordt beschouwd, zou ’t me niet in ’t hoofd gekomen zijn. Maar ten overvloede schrijf ik er eens over in verband met het wegblijven van Uw brief, dat, als ik aan Uw trouw denk, er waarschijnlijk echter wel niet mee in verband zal staan en ergens anders zijn oorzaak in hebben zal. Als ik in mijn vorig schrijven de voornoemde zinsnede gebruikte zoo zult ge bij gelegenheid in mijn teekeningen duidelijker mijn bedoeling zien. Ze doen – o.a. Sorrow – veel krachtiger in druk voor (om reden van het lithographisch krijt) dan in de teekening.4 Terwijl juist omdat ze in ’t oorpronkelijk grijs gehouden zijn en sober ik me slechts aan mijne studie te houden heb om in lithographie de kracht te krijgen. En dit is iets waarop ik de lui (met wie ik mogelijk in relatie zou komen als er iets zich op deed om werk voor eene illustratie te krijgen) zou moeten kunnen wijzen. Nu, als ge nog niet geschreven hebt doe het zoodra ge dezen ontvangt want ik ben wat in ’t naauw. adieu, met een handdruk.

t. à t.
Vincent

translation
 1r:1
Tuesday.

My dear Theo
A few words to ask whether you received my last letter together with a small roll also sent by post containing a proof of a lithograph.1 The reason why I can’t help starting to think that they aren’t in your hands but have perhaps been lost, or that your letter has been lost, is that I’ve heard nothing from you since, and moreover today is already 14 Nov. I have been literally without money for 5 or 6 days now, and so my work is stuck too, at least I can’t work as I would like to. I think the probable reason though is that, together with your letter and the money, you wanted to send the information I asked for about the lithographic process and autographic ink, and that you had to wait for that. And hope that it will perhaps be cleared up that way today. But on the other hand I’m always nervous when there’s something like this, and can’t help worrying, and am then afraid that perhaps I wrote or did something of which you disapprove.
So last night I was fretting that perhaps you didn’t approve of my having my lithograph printed, possibly drawing the conclusion from what I wrote that I intended to publish something, for instance. Anyway, I was fretting whether something could be wrong. But there’s probably nothing. Just to be sure, though, I write to say that you mustn’t confuse publishing with experiments in order to learn about a process. The former, that is publications, are things I’d most certainly consult you about before undertaking them, and I have no thought of that for the present,  1v:2 and occupy myself, as you know incidentally, with my drawings and the artistic side of my work only. These experiments I’m doing are definitely part of that, though, and nothing is more natural than that I should work on them. At one point Rappard experimented in the same way with etchings for instance, which he also had to have printed,2 but the printing an artist does isn’t publishing something, and has nothing directly to do with trade, being strictly private.
This seems to me as clear as daylight but, as I say, last night I was fretting that perhaps you might have seen it as a step of a very different nature, for I found it strange not to have a letter yet.
Well, I hope it will turn out that I needn’t have worried.
I hope, on the contrary, that you’ve been successful with your enquiries about the same matter, i.e. can say something about processes.
Last week I did another trial of the figure Sorrow on what I had left of the printing paper.3
When I said just now that I was concerned regarding my last letter that you might think something that I didn’t intend, the reason is that I remembered saying something like the following:  1v:3
I think it would be bold if we were to have a few of these sheets printed at our own expense. That would make us more credible to the managers of the illustrated magazines.
Now it isn’t at all my idea that what we might have printed should be exploited by me or you. I had and have not the slightest thought of that, but only that when one presents oneself somewhere to ask for work it’s as well to be able to show something of one’s work. That saves words and is more practical.
The fact that I consider it not unlikely that in time I’ll make things that will come into the hands of the public is something that leaves me quite cold and that I don’t in the least regard as pleasing. Two reasons would bring me to that: first, if I were employed by an illustrated magazine and would then of course have to make what was required; second, something to consider later, although I do indeed think about this, when sooner or later I have something that forms a whole and has an import and says something, then I might be persuaded to publish it myself if I couldn’t find anyone else, although not without informing or consulting you.
That would probably cost me rather than earn me money — it would be for the sake of art and not firstly or chiefly for my own benefit. If I ever did it, you would know all about it, and in no sense at all — in connection either with the work or with the publication — would that be dishonest, otherwise of course I wouldn’t do it.  1r:4
So if (but I don’t think so, although in my nervousness, since I couldn’t think of anything else, the phrase in my letter came to mind), so if there was something that you interpreted as a plan on my part to undertake something like publication, be assured that there is nothing and for the present won’t be anything more than the experiments that all those who etch or lithograph or reproduce their drawings in one way or another must carry out to learn about the processes and the strengths of black and white. Should a certain number of copies of one sheet or another that turns out well be printed by the maker, then that, at least in my case and that of most people who do such a thing, would be purely artistic in character and has not the slightest relation to commercial publications.
If I didn’t know from experience that misunderstandings can happen in matters such as showing drawings (and showing printed proofs of them is the same kind of thing), and that this is often regarded as conceitedness, it would never have occurred to me. But I write about this, needlessly no doubt, because of the absence of a letter from you, which, when I think of your loyalty, is probably quite unconnected and will have some other cause. If in my last letter I used the phrase mentioned, you will see my intention more clearly in my drawings when you have an opportunity. They appear — Sorrow among them — much more forceful in print (because of the lithographic crayon) than in the drawing.4 Yet precisely because they’re sober and kept in the original grey, I need only stick to my study to get the force in the lithograph. And this is something that I ought to be able to point out to people (with whom I might have to deal if an opportunity came up to get work for an illustrated magazine). Now, if you haven’t written yet do so as soon as you receive this, for I’m in rather a tight spot. Adieu, with a handshake.

Ever yours,
Vincent
notes
1. The lithograph whose sending is mentioned in letter 281 was Old man (F 1658 / JH 256 ).
2. It is not known when these experiments by Van Rappard took place; it appears to have been some time ago. Van Rappard’s earliest surviving etching is Seated old Drenthe woman, which cannot have been made earlier than September 1882. See exhib. cat. Amsterdam 1974, p. 78, cat. nos. 80-81.
3. Three impressions of this lithograph Sorrow (F 1655 / JH 259 ) are known; see Van Heugten and Pabst 1995, p. 42, cat. no. 2.
a. Means: ‘Bespaart woorden’ (Saves words).
4. The drawing after which the lithograph was made is probably (F 929 / JH 129 ); see Van Heugten and Pabst 1995, p. 42, cat. no. 2.