Back to site

398 To Theo van Gogh. Nieuw-Amsterdam, on or about Monday, 22 October 1883.

metadata
No. 398 (Brieven 1990 399, Complete Letters 335)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: Nieuw-Amsterdam, on or about Monday, 22 October 1883

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. nos. b358 a-b V/1962

Date
Vincent thanks Theo for his letter, which he received ‘this morning’ (l. 1*). Although there is no explicit reference to money enclosed with the letter, we assume that the letter contained the third remittance for October. Since Theo’s letter had to be forwarded from Hoogeveen to Nieuw-Amsterdam, we have dated the present letter a day later than we should otherwise have done, that is on or about Monday, 22 October 1883. We have no indication whether Vincent went to Hoogeveen to collect Theo’s letter.

Ongoing topics
Tensions between Theo and his employers (392)
Drawings on commission with Uncle Cor (378)

Sketches

  1. Workmen beside a mound of peat (F - / JH 416), letter sketch
  2. Peat barge with two figures (F - / JH 416), letter sketch
  3. Man burning weeds (F - / JH 419), letter sketch
  4. Farmhouse at night (F - / JH 419), letter sketch

original text
 1r:1
Beste broer,
Uw brief ontvang ik dezen morgen, inhoud verwondert mij in veel opzigten niet.1 Wel verwondert het mij dat gij mij zoudt toekennen ook maar den minsten blik op zaken, daar zooals ge weet ik voor een droomer doorga in dat respect, en ik niet meende te kunnen veronderstellen gij er eenigzins anders over dacht.–
Het idee van verandering van patroon, dunkt mij, is een gezond idee van U.– Dat moment waarop de heeren tot ander inzien zullen komen af te wachten is men primo niet toe verpligt, tweedens, indien men er zich toe verpligt rekende, men zou wel in eeuwigheid kunnen wachten, of liever, op dat moment indiena een jong employé betwijfelen moet of, indien ’t kwam, hij niet te afgetobt zou wezen om den boel te redresseeren, hoeveel te meer de oude pochards pleins zelf. Die zijn dan ook weer hun benul kwijt nog veel meer – en decadence is decadence – een verdiend ten onder gaan eener zaak, fataal verbonden aan zekere fouten.– Ik zeg niet in geval als door onbezonnenheid ’t gebeurt maar in geval ’t gebeurt door dat hatelijke, brooddronkene, wispelturige, overmoedige van zijn roem overleven en er zich op baseeren om te meenen alles een geldkwestie is en men maar alles kan & mag – indien het veelmalen lukt, toch in ’t eind komen ze in beroerdigheid en zoo’n administrateur general is de eenige die er momenteel goed afkomt. Och – het is de eeuwige historie – maar natuurlijk al die afdeelingen, zoo officieuse als officieele, al die boekhouderij, het is immers klets en daar doet men toch geen zaken mee. Zaken doen is toch ook een actie, een aangrijpen door persoonlijk inzigt en wilskracht.–2 Dat wordt nu niet geteld – dat wordt gekortwiekt – zoo dat gij klaagt er zijn geen schilderijen genoeg.– Suffit.– mijns inziens is nu het huis G&Cie aan den windhandel en wie den wind zaait, er moet van komen hij den storm oogste.–3
 1v:2
Ik – die zes jaar er in was – die, al was ik er maar een van de minste employés, toch zelfs nu nog na 10 jaren minstens voel hoe nog iets van mijn hart er in zit, ik vind het bitter, bitter, bitter treurig.–
Ik vind het een zaak om liever niet over te spreken, ik ken de geschiedenis van het huis wel niet precies, misschien onjuist, toch zóó veel weet ik, Vroeger was het er heel anders en dat nu het zoo beroerd gaat, nog eens, ik vind het ellendig. Mijns inziens hadden de heeren veel vroeger tot inkeer moeten komen.– Zij zijn begonnen tijdens Oom V. met weinig employés, die zij lang niet zóó uit de hoogte & als machines behandelden. Toen was er zamenwerking, toen kon men er met zijn hart in zijn. Maar sedert is het personeel vermeerderd en tevens heeft het bestaan hoe langer hoe minder uit personen die werkelijk hart voor de dingen hadden en er van wisten.– Ik zelf woonde nog curieuse dingen reeds daarvan bij.– Intusschen werden de heeren ook hoe langer hoe hoogmoediger en mijns inziens zijn ze nu radicaal verblind. En als ik mijn gedachte nu ronduit zeggen mag zoo geloof ik dat het best wat hun overkomen kon ware dat den boel in ’t riet liep. In hun ontnuchtering zouden zij, al waren ze te oud om den boel weer te redresseeren, althans weer als menschen te respecteeren zijn.– Ik zie met genoegen dat gij over hun persoonlijk zwijgt, dat is ’t beste, en trouwens ik dacht ook niet anders van U. Maar overigens voor U persoonlijk is het iets eigenaardigs moeielijks. Gij zijt met Uw hart er in en zijt hun trouwer dan een der anderen, gij zoudt geloof ik liever er in blijven omdat het huis het huis is, als ’t houdbaar was zelfs ingeval een andere betrekking voordeeliger was. Dat alles, ’t wordt als minder dan niets gerekend, ten minste het schijnt zoo want al voelde de oude Goupil4 b.v. een zeker attachement aan U, hoogstwaarschijnlijk zou hij er niets van zeggen wegens zij zelf, denk ik, zich niet in ’t minst uitlaten en schijnbaar kalm de dingen maar laten oploopen.– Nu, uit uw brief zie ik ’t volgende, dat de toestand waarin ge op ’t moment zijt veel onhoudbaars heeft. Als gij b.v. tot den ouden Goupil eens in vertrouwen spraakt, was misschien toch goed, zeggende dat gij zoo lang U stilgehouden hebt als ge kondt doch nu eens zoudt dienen te vragen, niet langer er meer mee moogt wachten, wat de heeren eigentlijk willen want dat zoo als ’t nu gaat gij niet langer zoudt willen meedoen. Zoo iets.– Daar is haast geen gelegenheid toe – dat valt haast niet in de termen – ik weet dat wel – maar toch.  1v:3 Zóó iets als dat gij niet een even mooie doch een aanvankelijk veel minder bezoldigde en nog te creeeren betrekking aanvaarden zoudt in plaats van uw tegenwoordige, is eene daadzaak welke dunkt mij, indien iets, geschikt zou zijn om nog oogen te openen. Ik geloof dat zoo iets niet tot resultaten zou leiden, tot verbetering der dingen, doch wat er ook gebeurde, zou de oude Goupil U vertrouwen en misschien zoudt ge hem in elk geval toch nog van dienst kunnen blijven.
Ik moet echter niet me verdiepen in toestanden die ik slechts ten allerzeerste in ’t algemeen bij magte ben te overzien, en komen op wat gij omtrent een plan van U verder zegt.
In de gegevenen – gesteld noodzakelijkheid van veranderen – opperbest – een moderne zaak waar activiteit nog iets kan – waar men niet op een routine en administratie, zóó gecompliceerd dat ze alles verlamt, stuit. Ge zegt, er is kapitaal, er is (en dat’s meer dan kapitaal) goede inrigting voor reproductie. zijn nu verder de patroons van die affaire lui die het meenen en is hun plan goede dingen te leveren, quand même hun reussite te zoeken in eerlijkheid. Dan zoo als gezegd, opperbest.– Wisselingh stuitte bij Cottier echter te zeer op het karakter van zijn patroon (ofschoon hij mij dit nooit zeide noch iemand anders) doch ik heb het al lang gedacht uit me zelf en het klopt met Wisselinghs gezegde “ik verloor mijn tijd bij Cottier”. Dat karakter misschien wel wat meer uit grootspreken dan uit groot doen bestaande, zoo zeg ik, die lui die aan ’t hoofd staan van die andere affaire, meenen ze het, willen ze?
Het kunnen bij mij volgende meer uit die twee artikels dan men wel meestal zegt. Au fond moet men weten wat men wil.–
Nu, zoo kom ik op wat ge omtrent me zelf schrijft. Voorzeker zou ik zelfs heel erg graag eens een tijd te Parijs zijn omdat ik geloof ik er die wrijving met artisten zou krijgen die ik toch nog eens hebben moet.
Kan dat.– Het zou kunnen als ge zelf niet in de engte komt al te zeer – willen zou ik wel. Op wat gij schrijft zou ik met U over de dingen willen spreken, ja maar wat zou dat geven, liever een handje meewerken als er gelegenheid was. N’importe comment.–
 1r:4
Want ik zou meenen dat als ik b.v. gelegenheid had om eens meer van ’t drukken te zien, ik daardoor in mijn werk zou vorderen.–
Alleen met het schilderen &c. ben ik nu eenige oefeningsjaren door, dus dat zet ik door. Maar veeleer dat het hinderen zou dat ik iets er bij deed van werken in drukkerij of zoo, zou dat me helpen – doch ik zou dat alles moeten leeren – doch meen wel ik zelf reproducties zou kunnen teekenen b.v. En alles van dien aard wil ik graag beproeven, vooral als erdoor brood verdiend kan worden ginder. Ik geloof wel degelijk dat ik het zoover zal brengen dat ik niets meer er bij hoef te doen, echter alleen weet dit wel, dat ik in een plan om naar Parijs te komen geen bezwaar zou vinden indien gij van meening waart het ergens goed voor kon zijn of om een of andere reden beter schikte. Nu, ik U raden in zaken zou wel niet in de termen vallen, ik ben er te lang uit en als ik er weer inkwam zouden we in zeer veel dingen het volkomen eens zijn. En ik weet evenwel dat ik gezien heb wat ik gezien heb, en betreffende kwesties van reproductie of uitgaaf, ja wat mooi is dat weet ik ook wel.– Hoe het te doen wil ik als het kan, op welke wijs ook, graag een handje aan meewerken.
Overigens nu hier op die heerlijke hei hoef ik U niet te zeggen ik volstrekt geen verlangen heb naar Parijs en ik er bitter weinig over zou denken als er door uw brief geen aanleiding toe zou zijn. En ik zeg er eenvoudig van, als ’t zoo uitkomt, heel best naar Parijs, als ’t zoo uitkomt, heel best hier in ’t turfveld. Er zal overal wel wat te schilderen zijn. Hier is het magtig mooi en al schilderende geloof ik dat ik een beetje beter leer schilderen.
Nu, mijn hart is daarbij, dat begrijpt ge wel.
Ik geloof ook nog bovendien dat après tout als men ’t handwerk kent, een handwerk het meest solide middel van bestaan is, dus reden te meer dat ik het daarin zal blijven zoeken.
Meer nog – als er eens van kwam dat om een of andere reden, wegens ’t niet anders kon of beter convenieerde, we zamen te Parijs waren. Dan zou ik reeds vooruit U durven zeggen: begin te teekenen en ik zal U de eerste dingen wat ophelderen.  2r:5 Ik weet hoeveel ik nog zelf leeren moet maar toch, ik begin voor mij licht te zien en op een of andere manier, door eigen oefening, door van anderen te leeren wat ik overnemen kan, zal ik met lust aan ’t schilderen blijven.
En kon ’t zijn dat gij op een punt kondt komen dat ge licht zaagt er in, welnu tant mieux. Want gij zegt ge hebt uw hart in den kunsthandel. Ja best, doch evenwel nog meer in de kunst zelf, geloof ik.
Nu kerel, schrijf weer eens spoedig – ik zou nu allerlei beroerdigheid soms gaan denken als je er over zweegt. Is er dus iets bijzonders, schrijf: er is iets bijzonders, is er niets bijzonders, schrijf: er is niets bijzonders, doch zwijg er niet heelemaal over want dat is de moeite niet waard.
O.– ik heb een brief van de arme vrouw – was blij ik haar geschreven had5 doch tobt met de kinderen en gaat als noodhulp uit werken. Moet wel bij haar moeder in huis zijn. Stakkers. Courage moeten we toch maar hebben – malgré als ’t niet van zelf gaat.–
Ik krabbel nu nog een paar gevallen van hier. Het land is zoo mooi dat ik ’t U niet zeggen kan. Als ik een beetje beter schilder – dan!– Schik het betreffende mij net precies zoo als ’t het beste uitkomt, ik zou hier leeren en ginder ook leeren geloof ik.
Nu, hoe ’t ook loope, gij zult er niet ongelukkiger door worden komt het mij voor, en misschien hebt ge reeds te lang verdragen. Mogt het zoo zich schikken dat gij door de heeren meer geteld werd en men U meer vrijheid liet om de zaken te doen zoo als ge het begrijpt, dat zou ik wel het beste vinden. Doch het zou mij verwonderen als ’t dien kant uitging want Oom Vincent zelf is bij ’t heengaan niet heel mooi behandeld.–6
 2v:6
Maar dat daargelaten – ’t komt mij zoo voor dat de heele kunsthandel ziek is – om geheel mijn gedachte te zeggen betwijfel ik of de ontzettende prijzen, zelfs voor meesterstukken, zullen blijven.– Er is een je ne sais quoi over heen gegaan dat den boel verkild heeft – en het enthousiasme is in zijn schulp gekropen.– Doet dit er veel toe voor de artisten. Och neen want de grootsten hunner profiteerden van die enorme prijzen persoonlijk in den laatsten tijd als ze er al bovenop waren meestal slechts, en zij – Millet & anderen, Corot met name – zouden er niet minder of minder mooi om geschilderd hebben als die enorme hausse niet had plaats gehad. En wie iets kan dat de moeite waard is gezien te worden, welnu wat er ook zij van den kunsthandel, voor een reeks van jaren nog zal ’t wel zoo blijven er altijd zekere liefhebbers zijn die maken men zooveel verdienen kan dat men ’t leven houde. Nu, liever had ik Frs 150 per maand als schilder dan Frs 1500 per maand als iets anders, zelfs als kunsthandelaar. Als schilder voelt men zich een mensch onder de andere menschen, dunkt me, meer dan als men in een leven is dat meer op speculatie is gegrond en waar men op conventies moet letten.
Wel ben ik nieuwsgierig hoe dit alles zal uitdraaijen, maar mij is ’t wel op de een of op de andere wijs. En voor U, ik zie nog niet in het een ongeluk is, zulks is me geenszins bewezen, integendeel, als het ten gevolge mogt hebben dat gij b.v. op uw 30ste jaar schilder waart, ik zou ’t een groot geluk vinden. Op zijn 30ste jaar begint ’t eigentlijke leven pas, nl. het meest actieve gedeelte. Bij vrienden & familie gaat men dan al voor oud of ik weet niet hoe of wat door, doch dat neemt niet weg men dan toch voor zich zelf een vernieuwing van energie kan voelen. Wel is ’t dan noodig goed door te denken en te willen en wakker te zijn. Doch eene verandering omstreeks die periode is eigentlijk noodig. Men moet den heelen rommel door elkaar vegen en dan er op nieuw op beginnen. Net als toen men als jongen begon – maar met meer rijpheid. Piet of Klaas die maar doorsuft vind dit gek en zegt hij er een zwaar hoofd in heeft – goed – laat Piet of Klaas vooral in zijn waarde als hij niet attaqueert, hij is evenmin wakker als een slaapwandelaar.– Voor zichzelf moet men niet twijfelen, het ligt in de natuur en slechts door niet te veranderen werkt men tegen de natuur in. Er is een oud woord – Ze hebben ooren maar hooren niet, ze hebben oogen maar zien niet, ze hebben een hart doch verstaan er niet mee, hun hart is dik geworden en oogen & ooren hebben ze digt gedaan omdat ze niet WILLEN hooren en niet WILLEN zien.7 Gij en ik zijn geloof ik eerlijk genoeg après tout om niet te behoeven te vreezen onze oogen open te doen en er de dingen mee aan te kijken zoo als ze zijn en voorkomen.  2v:7 Dat kleine, oude woordje zegt zoo enorm veel, zegt het alles zoo precies dat ik voor mij er telkens aan denken moet bij veel veel dingen.

[sketch A]
Dit waren lui die ik op ’t turfveld zag, die zaten te schoften achter een turfhoop met een vuurtje op den voorgrond.8

[sketch B]
Dit waren turfladers doch ik vrees de krabbels zijn absoluut niet te ontcijferen.9

 2r:8 [sketch C]
[sketch D]
Ziehier een paar avond effekten10 – ik zit nog steeds op dat onkruidverbrandertje, dat ik wat toon aangaat in een geschilderde studie beter heb dan vroeger,11 zóó dat het meer de grootheid der vlakte en het vallen van den avond geeft en ’t vuurtje ’t eenige lichtstipje is met ietwat rook. Ik ging er telkens s’avonds voor buiten kijken en op een slik avondb na den regen vond ik het hutje dat in de natuur magtig mooi was.
Nog eens, ik geloof dat ik zoowel te Parijs als hier op de hei zou kunnen leeren, in stad zou ik gelegenheid hebben van menschen nog wat te leeren & af te zien en dat is me geenszins onverschillig. Overigens, hier werkende geloof ik dat ook zonder andere schilders te zien ik vorderen zou.– En voor mijn pleizier bleef ik veel liever hier. Doch is het dat verandering van Uw werkkring het wenschelijk zoude maken ik naar ginder kwam, misschien in die zelfde zaak iets verdienen kon, het is mij wel en dan heb ik geen enkel bezwaar.12
Schrijf mij gerust over al die dingen die ik natuurlijk geheel en al absoluut voor me zelf houd. Als het kan dat mijn zaken zich hier wat verbeterden, dat ik b.v. op C.M. rekenen kon dat hij mijn studies zou nemen, zoo, wegens ’t hier goedkooper is, ware het ’t voordeeligst ik hier bleef. en was ik nog een eind gevorderd zoo zou, als gij ooit veranderdet geheel en al, besluitende schilder te worden, het hier voortreffelijk zijn om te leeren – voortreffelijk.–
Is C.M. er al geweest? Nog eens, houd goeden moed, ik zal het ook zien te doen en als ge ooit besluit schilder te worden, doe het met inwendige vroolijkheid en met alle mogelijke leukheid.–c Dan zoudt ge in ’t groot de dingen aanziende den tijd tusschen nu en uw 30ste jaar als een tamelijk beroerden scharreltijd moeten beschouwen doch aan ’t eind er van zoudt ge alle dingen vernieuwd zien en een breede toekomst. Denk aan wat ge me verteldet van die Zweedsche schilders te Parijs in der tijd – men moet durven en juist te meer omdat men ziet hoe alle dingen onvast en wankelend zijn. Efforts de perdu – que soit – doch in een tijd als waarin we leven zijn ze pligt en men moet dikwijls kiezen tusschen dat en suffen.– Nu kerel, het beste, schrijf spoedig weer, met een handdruk.

t. à t.
Vincent

translation
 1r:1
Dear brother,
I received your letter this morning; in many respects the contents didn’t surprise me.1 It does surprise me, though, that you should credit me with even the slightest grasp of affairs, since, as you know, I’m considered to be a dreamer in that respect, and I didn’t imagine that you would think any differently.
I think that the idea of changing employers is a good idea of yours. To start with, you aren’t obliged to wait for the moment when the gentlemen change their minds; secondly, if one did feel so obliged, one could wait forever, or rather, until the point when a young employee has to doubt whether, if it ever did happen, he wouldn’t be too worn out to put things to rights; so how much more is this true of the old soaks themselves. By then they’d be even less competent — and decline is decline — be the deserved ruin of a business, fatally associated with certain mistakes. I wouldn’t say this if it happens through thoughtlessness, but if it happens because of that odious, bumptious, capricious, reckless way of outliving one’s reputation and taking the position of believing that everything is a question of money and that one can and may simply do anything — it may succeed many times, but in the end they’ll get into trouble, and that general manager will be the only one who comes out of it well for the time being. Oh — it’s the same old story — but of course all those departments, both unofficial and official, all that bookkeeping, it’s all just twaddle and that’s no way to do business. Surely doing business is also an action, taking hold through personal insight and willpower.2 That doesn’t count now — its wings are clipped — and so you complain that there aren’t enough paintings. Enough. In my view the house of G&Cie is indulging in a bubble company, and he who sows the wind reaps the whirlwind.3  1v:2
I — who spent six years in it — who, although I was one of the lowliest employees, feels that something of my heart is still in it, even after more than 10 years — I find it bitterly, bitterly, bitterly sad.
It’s a subject better not discussed. I don’t know the story of the firm that well, perhaps I’ve got things wrong, but this much I do know. It was very different there in the past and, I say again, I think it’s dreadful that things are going so badly now. In my view the gentlemen should have thought better of it much earlier. They started in Uncle V’s time with a few employees, whom they treated by no means so high-handedly and like machines. There was cooperation then, people could put their hearts into it then. But then the staff increased, and at the same time there gradually came to be fewer and fewer people whose hearts really were in it and who knew about it. I myself witnessed some curious instances of this. Meanwhile, the gentlemen became ever more arrogant and, in my view, they’re now absolutely blind. And if I may now speak my mind frankly, I think that the best thing that could happen to them would be for the whole thing to come to grief. In their disillusionment, it might at least be possible to respect them as human beings again, even if they were too old to put things to rights. I note with pleasure that you keep silent about them personally; that’s the best thing, and anyway I wouldn’t have expected anything else of you. But, leaving that aside, it’s something singularly difficult for you personally. Your heart is in it, and you’re more loyal to them than any of the others; I believe that you would rather stay because the house is the house, if it was endurable, even if another position would be more advantageous. All that counts for less than nothing, at least so it seems, for even if old man Goupil,4 for instance, felt a certain attachment to you, he would most probably say nothing about it because they themselves, I think, don’t speak out, and apparently just calmly let things mount up. Well, I see from your letter that there’s much that’s intolerable in your present situation. If, say, you were to speak to old man Goupil in confidence, it might be a good thing, saying that you had kept quiet for as long as you could, but now really had to ask, could wait no longer, exactly what the gentlemen want, because you wouldn’t want to go along with things as they are now. Something like that. There’s virtually no chance of that — it’s almost out of the question — that I know — but still.  1v:3 Something to the effect that you would accept a situation, yet to be created instead of your present one, that wasn’t as attractive and less well-paid at first, is a fact which would be a good way of opening a few eyes if anything is, it seems to me. I don’t think something like this would lead to results, to improving matters, but whatever happened old man Goupil would trust you, and perhaps you could in any event continue to be of service to him.
However, I mustn’t involve myself in situations that I’m only able to size up in the most general terms, and turn to what else you say about a plan of yours.
In the circumstances — given the necessity for change — splendid — a modern business where activity can still achieve something — where people don’t run up against routine and administration that are so complicated they paralyze everything. You say there’s capital, there’s a good plant for reproduction (and that means more than capital). Now if the employers of that business are people who are serious, and if their plan is to supply good things, to seek success in honesty come what may — then, as I said, splendid. At Cottier’s, however, Wisselingh clashed too much with his employer’s character (although he never told me this, or anyone else); but I came to this conclusion myself a long time ago, and it’s consistent with what Wisselingh said, ‘I wasted my time at Cottier’s’. It was perhaps a character more inclined to grand talk than to grand deeds, so I say, those people who run that other business, are they really serious, do they really want to do it?
I think that capability follows more from those two aspects than people usually say. When it comes down to it, people have to know what they want.
Well, now I come to what you write about me. I would certainly very much like to spend some time in Paris, because I believe I would get the friction with artists that I’ll have to have at some point.
Is it possible? It could be if it didn’t constrain you too much — I certainly like it. I wouldn’t mind talking to you about what you wrote, yes but where would that lead; better to lend a helping hand if the opportunity arose. No matter how.  1r:4
For I should think that I would progress in my work if, for example, I had the opportunity to see more of printing.
I already have several years of practising painting &c. behind me, so I carry on with it. But if I were to work at a printer’s or something, it would help rather than hinder me — although I would have to learn it all — but I think that I could draw reproductions myself, for instance. And I’d like to try everything of that kind, particularly if there’s bread to be earned from it there. I really do believe that I’ll get to the point where I won’t have to do anything else; however, be assured that I’d have no objections to a plan to come to Paris if you believed that it might do some good or was more appropriate for one reason or another. Well, I am not qualified to advise YOU about business; I’ve been out of it too long, and if I were to come back we should be in complete agreement about very many things. And yet I know that I’ve seen what I’ve seen and, in questions of reproduction or publishing, yes I also know what’s beautiful. If possible I want to lend a helping hand about how to do it, in any way I can.
But now, here in this magnificent heathland, I don’t have to tell you that I have absolutely no hankering for Paris, and I wouldn’t give it a thought if your letter hadn’t given cause to do so. And I simply say about this: if that’s the way it turns out, fine, to Paris; if that’s the way it turns out, fine, here in the peat fields. There will certainly be something to paint everywhere. It’s exceedingly beautiful here and, as I paint, I believe that I’m learning to paint a little better.
Well, my heart is in it, you know that.
I also believe, moreover, that if one knows a craft, after all, a craft is the most solid means of existence, so all the more reason for me to continue seeking it there.
I would go further — should we be together in Paris for one reason or another, because there was no choice or it was more convenient, then I dare say to you even now: start drawing and I’ll clarify the first principles for you.  2r:5 I know how much I still have to learn myself, but all the same I’m beginning to see light ahead of me and, one way or another, by practising on my own, by learning anything I can use from others, I’ll continue to paint with passion.
And might you reach a point where you could see light in it, well, so much the better. For you say that your heart is in the art business. That’s as may be, but I believe it’s even more in art itself.
Well, old chap, write again soon — I’ll start thinking all sorts of dreadful things if you keep quiet about it. So if there’s something the matter, write: there’s something the matter; if there’s nothing the matter, write: there’s nothing the matter, but don’t keep completely silent about it, because it’s not worth it.
Oh — I’ve had a letter from the poor woman — was glad I’d written to her,5 but is worried about the children and is going out to work as a temporary help. Has to live at her mother’s. Poor souls. We just have to have courage — even if it doesn’t come naturally.
I’m scratching a few more things from around here. I can’t describe to you how beautiful the countryside is. When I paint a bit better — then! Arrange things for me exactly as it works out best; I’d learn here and also learn there, I think.
Well, however it goes, it seems to me that you’ll be no unhappier because of it, and perhaps you’ve already put up with things for too long. Should it turn out that the gentlemen appreciated you more and gave you greater freedom to do business as you understand it, I think that would be the best thing. But I’d be surprised if matters took that turn, since even Uncle Vincent himself wasn’t treated very well when he left.6  2v:6
But that aside — it occurs to me that the whole art trade is sick — to tell you what I really think, I doubt whether the appalling prices will hold, even for masterpieces. A je ne sais quoi enveloped it and cooled the business down — and enthusiasm has crept into its shell. Does this make much difference to the artists? Not really, because the greatest among them usually profited personally from the enormous prices only in recent years, when they were already at the top, and they — Millet and others, particularly Corot — wouldn’t have painted any less, or less beautifully, if that huge boom hadn’t taken place. And whatever may happen in the art trade, for years to come anyone who can do something that’s worth looking at will always find art lovers who will make it possible for him to earn enough to live on. Well, I’d rather have 150 francs a month as a painter than 1,500 francs a month as anything else, even as an art dealer. As a painter, one feels one is a human being among other human beings, it seems to me — more so than when one is living a life that’s founded more on speculation, and where one has to be mindful of the conventions.
Although I’m curious as to how all this will turn out, it’s all the same to me, one way or the other. And as for you, I still don’t see it as a misfortune, this hasn’t been proved to me at all, on the contrary, if the outcome were to be that you became a painter in your 30th year, say, I should think it a great good fortune. Real life only begins at 30, that being the most active part. Friends and family regard one as old and I don’t know what else, but that doesn’t alter the fact that one can nonetheless feel a renewal of energy in oneself. What’s necessary then is to think things through thoroughly, and to want and be awake. But a change at around that time is actually necessary. One has to sweep all the rubbish into a heap and start again. Just like when one started out as a boy — but with more maturity. Dick or Harry, who just sits there dozing, thinks this is crazy and says he has grave misgivings about it — very well — take Dick or Harry as he is, provided he doesn’t attack you; he’s no more awake than a sleep-walker. For oneself, one must have no doubt, it’s only natural, and it’s only by not changing that one goes against nature. There’s an old saying — they have ears but they hear not, they have eyes but they see not, they have a heart but they understand not; their heart is waxed gross and they have closed their eyes and ears because they DO not WANT to hear and DO not WANT to see.7 I think that you and I are honest enough, after all, not to need to be afraid of opening our eyes and looking at things as they are and occur.  2v:7 That pithy old saying says such an enormous amount, says it all so exactly that I’m forced to think of it again and again in connection with many, many things.

[sketch A]

These were people I saw in the peat field, they were sitting down, taking their meal break behind a mound of peat, with a small fire in the foreground.8

[sketch B]

These were peat loaders, but I’m afraid the scratches are absolutely indecipherable.9

 2r:8
[sketch C]
[sketch D]

Here are a couple of evening effects10 — I’m still working on that weed burner, whom I’ve caught better than before in a painted study as far as the tone is concerned,11 so that it conveys more of the vastness of the plain and the gathering dusk, and the small fire with the wisp of smoke is the only point of light. I kept going out to look at it in the evenings, and one muddy evening after the rain I found the little hut, which was very beautiful in its natural setting.
Again, I think that I’d be able to learn in Paris as well as here on the heath; in the city I’d have the opportunity to learn from other people and see what they were doing, and I’m by no means indifferent to that. For that matter, I think that I’d also make progress working here without seeing other painters. And for my pleasure, I would far rather stay here. However, if a change in your position were to make it desirable for me to come there, perhaps earn something in the same firm, that’s all right with me and I have no objection whatsoever.12
Don’t hesitate to write to me about all these things, which I will, of course, keep entirely and absolutely to myself. If my affairs here were to improve a little — if, for example, I could count on C.M. taking my studies — well, seeing as it’s cheaper here, the most advantageous would be if I were to stay here, and once I progressed a bit further, if you ever changed entirely and decided to become a painter, it would be excellent to learn here — excellent.
Has C.M. been yet? I repeat, keep your courage up, I’ll do the same, and if you do ever decide to become a painter, do it with inner cheerfulness and as coolly as possible. Then, taking the broad view of things, you would have to see the time between now and your 30th year as a rather wretched period of pottering around, but at the end of it you would see everything renewed, and a broad future. Remember what you told me about the Swedish painters in Paris back then — one must be daring, and all the more so because one sees how everything is uncertain and shaky. Forlorn attempts — so be it — but in an age like the one we live in they are our duty, and one must often choose between that and sitting dozing. Well, old chap, all the best, write again soon, with a handshake.

Ever yours,
Vincent
notes
1. It seems that Van Gogh drew the sketches in the letter in Nieuw-Amsterdam and wrote the letter there too.
a. Read: ‘Wanneer op zeker moment’ (when at a certain point).
2. This idea, that a thought alone is not enough but has to lead to ‘action’, could be derived from Carlyle: see letter 274, n. 11.
3. Saying, derived from Hos. 8:7.
4. Adolphe Goupil, founder of Goupil & Cie.
5. Van Gogh says he has written to Sien in letter 395.
6. From 1858 onwards Uncle Vincent van Gogh was a partner (‘associé’) in Goupil & Cie. His art gallery in The Hague had been a branch of the firm since then. He had to leave the firm for health reasons in 1872, when he was 53 (from letter 615 it appears that he had lung problems). Evidently the arrangements when he left were not handled as they should have been. Nonetheless he was still a silent partner (‘commanditaire’) in Goupil from 1872 to 1878. See Etat des lieux 1994, p. 149.
7. Cf. Matt. 13:15, Acts 28:27.
8. We do not know whether this sketch, Workmen beside a mound of peat (F - / JH 416), was based on a drawing or a painting.
9. This letter sketch relates to the painting Peat barge with two figures (F 21 / JH 415 ). The location may be in the Stadnitsky district, which Van Gogh could easily reach from his lodgings by walking along Schooldijk. See Dijk and Van der Sluis 2001, pp. 214-219.
10. The letter sketches Man burning weeds (F - / JH 419) and Farmhouse at night (F - / JH 419) relate to the painting Man burning weeds (F 20 / JH 417 ) and the drawing Farmhouse at night (F 1097 / JH 418 ).
11. This ‘before’ could refer to the three earlier pictures of the subject that Van Gogh made in The Hague: see letter 361.
b. Means: ‘modderavond’ (muddy evening).
12. The idea that Vincent could perhaps earn something in Theo’s potential new firm may be an indication that Theo was considering switching to printing or publishing. A formulation a few letters later points in the same direction: ‘I wouldn’t have thought that if, say, you’d been able to write, I’m on to something in the sphere of printing, for instance, or — I’ve discovered some bold new artists with whom I’ll be able to do something’ (letter 407, ll. 69-72).
c. Means: ‘kalmte’ (calm).