Back to site

440 To Theo van Gogh. Nuenen, on or about Thursday, 20 March 1884.

metadata
No. 440 (Brieven 1990 443, Complete Letters 364)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: Nuenen, on or about Thursday, 20 March 1884

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. nos. b398 V/1962 (sheet 1) and b397 d V/1962 (sheet 2)

Date
Vincent had received 250 francs (100 still due to him for the current month, and 150 for April). Theo was able to send this large sum because Boussod, Valadon & Cie had paid him 1000 francs on 18 March (FR b2124). Because he was already later than usual in sending the allowance (see letter 438) and also because of the tense situation, it seems safe to assume that Theo would have delayed as little as possible in sending Vincent the money. Vincent moreover replied as soon as he received the letter (l. 2). We therefore date the letter on or about Thursday, 20 March 1884.

Arrangement
The sheet bearing ll. 109-211 was previously placed with letter 442. On the grounds of its content we have removed it from there and added it to the present letter. In it Vincent again thanks Theo ‘very much’ for what he sent (ll. 189-190), something that he only ever did in letters that served as acknowledgements of receipt; no money was sent before letter 442. In the current arrangement, moreover, in ll. 109-111 he resumes the discussion with Theo about the quality of his work at the end of the first part of the letter.

Additional
The letter is not signed, so it may be incomplete.

Sketch

  1. Plan of the studio (F - / JH -), letter sketch. In the sketch the words: ‘Atelier / mestput / bestekamer / kolenhok / riool’ (twice) (Studio / cesspit / privy / coalhole / drain).

original text
 1r:1
Waarde Theo,
Uw brief ontvang ik daareven en ingesloten frs 250.–1 Inderdaad zoude ik indien ik Uw brief mag beschouwen als antwoord op mijn voorstel, vrede kunnen nemen met hetgeen ge zegt.– Voor mij verlang ik kortaf – om geschrijf, om getwist te vermijden – om iets te kunnen zeggen als in ’t dagelijks leven men door den een of den ander voor “zonder middel van bestaan” wordt gescholden – dat als ik het gewone van u ontvangen blijf, ik ’t moge beschouwen als geld dat ik verdiend heb.– Natuurlijkerwijs zend ik U maandelijks werk.– Dat werk is dan zoo als ge zegt Uw eigendom – en volkomen ben ik ’t met U eens dat alsdan gij volle regt hebt het stil te laten liggen – ja zelfs zou ik er niets tegen kunnen zeggen indien gij goedvondt het te verscheuren.
Ik voor mij, geld noodig hebbende, ben verpligt het aan te nemen zelfs als iemand mij zegt “ik wou die teekening van je stil laten liggen of verbranden, ge kunt er zooveel voor krijgen” – in de gegeven omstandigheden zou ik zeggen – goed – geef mij het geld – daar hebt gij mijn werk –  1v:2 ik wil verder komen – om verder te komen moet ik geld hebben – ik zie dat te krijgen – en dus – desnoods, al zou ik ook nog zoo veel maling aan U hebben, zoolang ik maandelijks geld van U ontvang dat (zonder condities van dat ik dit of dat niet doen of laten mag)2 mij nuttig en noodig is, zal ik den band niet breken en is me desnoods alles wel.–
Deze manier van mij om U en Uw geld te beschouwen balanceerta Uw manier om mij en mijn werk te beschouwen – en zoolang het in balans blijft – neem ik er vrede mee.–
Indien ik geld van u ontvang, gij teekeningen of schilderijen van mij – en ik iets hebbe om in ’t maatschappelijke verantwoord te zijn en we verder desnoods niets gemeen hebben met elkaar, over niets schrijven of spreken – zelfs dan is het mij voor ’t moment voldoende en neem ik er volkomen vrede mede. Zelfs ’t zij ge mijn werk blieft te verscheuren ’t zij ge ’t stil wilt laten liggen ’t zij ge er mee werken wilt, heb ik ’t regt niet meer daar aanmerking op te maken zoodra ik van mijn kant het als een koop moge beschouwen.–
 1v:3
Wees zoo goed eens mij op te geven welk scheldwoord ik in mijn brief over Uw vriend Braat heb ingelascht.–3
In mijn brief staat zoover ik weet over Braat niets anders dan dat ik tijdens de maanden dat ik bij G&Cie te Parijs zijnde4 hem gekend heb, hem reeds ziek vond. In dien tijd, zoo ver ik me herinneren kan, was ik heel wel met hem en hoe ge er aan komt dat ik hem “niet mag lijden” begrijp ik niet regt.– Er zijn zoo veel jaren over heen gegaan, er is zoo veel voor mij gewisseld in die jaren dat de personen die ik toen kende voor mij tamelijk vaag en uitgewischt zijn in mijn herinnering en – dat ik zelden of nooit aan hen denk – wat niemand me kwalijk kan nemen geloof ik.– Doch aangaande Braat, wel verre van dat nu ge er over geschreven hebt op die wijs ik er geen speciale notitie van nemen zou: Wil s.v.p. hem verzekeren ik met hem, zoo als ik met alle lijders zou zijn, begaan ben en hem indien hij soms zich me nog herinnert, wel groeten laat en zooveel vrede en sereniteit als in zoo’n toestand men maar hebben kan, toewensch.– Doch wat heeft hij aan zulk een wensch – niet veel – dus houd men, tenzij men er over aangemaand wordt, zulke dingen voor zich.–  1r:4 ik mag U echter wel er bij verzoeken, indien gij tot hem iets gezegd hebt van dat ik over hem geschreven had op de wijze welke ge mij verwijt, hem te zeggen gij dat scheldwoord slechts in uw verbeelding had gezien.– Want in mijn brief zult ge ’t gedecideerd niet vinden.–
Ge schrijft ge hadt mijn brieven nog trachten te beantwoorden doch hadt het daargelaten.– Van mijn kant ook had ik U sedert nog eens willen schrijven doch liet het ook daar.–
Weet dat indien gij trek hebt mijn werk ’t welk ge van me koopen zult, te laten liggen of te verscheuren desnoods, dit voor mij geen reden zal zijn om er niet mijn best op te doen.–
Voor deze maand heb ik voor U eenige penteekeningen, vooreerst die bij Rappard zijn op dit moment – waarover ik een brief heb van hem, dat hij ze allen mooi vond en het sentiment in Achter de heggen5 en de IJsvogel6 bijzonder mooi.– Dan ook die eerste 3 Wintertuin,7 waar hij ook mede was ingenomen. Behalve die heb ik eenige geschilderde studies die Uw eigendom zijn – om net mee te doen wat ge wilt – die ik U sturen kan als gij wilt – die ik als ge er toch zelf geen pleizier in hebt van wil vragen of ik ze een tijd mag houden om nog naar te werken.–
De eene is een groote wever die een stuk rood goed weeft8 – het kerkje in het koren9 – een gezigt op een oud dorpje hier in de buurt.–10
 2r:5
Uw brief over mijn teekeningen – dien gij zegt dat ik alleronmogelijkst heb opgevat – wil ik even op terug komen.–
ik zie daarin 1 dat bij de dingen die ge zegt er een paar zijn waarvan de strekking is dat in den toon, in het sentiment er dingen waren die U bevielen – tant mieux – als ge wilt doet me dat regt veel pleizier.–
2 staat er in dien brief een vergelijking tusschen de rigting van Millet en l’Hermitte. Wat ge over Millet zegt vond ik beter en meer gevoelde expressies dan ik van U gewoon ben – dit werd echter overschaduwd door de manier waarop ge l’Hermitte nu weer beu waart en van die heele beschouwing van U zou ik ook al weer willen zeggen, tu files ton coton trop fin – waarom niet breeder van blik geweest en voor beiden (die tot elkaar staan m.i. als Rembrandt tot Maas b.v.) één enthousiasme gevoeld zonder zich te verdiepen in dorre muggezifterij over wie de eerste is.–
 2v:6
3de in dien brief stond iets niet, namelijk antwoord op de kwestie of we doorgaan zouden of niet.–
Die kwestie was aan de orde en daar mijn werk afhangt van mijn verf & gereedschap (voor een deel dat ik niet wegcijferen kan) en dat weer van het al dan niet ontvangen van geld, kan ik onmogelijk dien brief veel nuttigheid toekennen.
Het zou mij minder onmogelijk zijn mijn bedaardheid te bewaren in onze correspondentie, indien gij als ge op den datum ’t geld niet hebt wildet schrijven, ik heb het niet, ge krijgt het dan en dan. Nu schreeft ge geen woord in antwoord op mijn zeggen: het verwondert me dat, wegens ge zegt dat als ik het noodig heb ik per ommegaande het geld krijgen kan, ik, na gezegd te hebben ik liever ’t dadelijk heb dan later, er niets op hoor.–11 Hadt ge toen weer geschreven, ’t spijt me maar ik heb het niet, had ik niet hoeven idees in mijn hoofd te krijgen dat ge expres nonchalances begaat om mij het leven een beetje moeielijker te maken.– En – waar ge ’t niet hebt kan ik niets kwalijk nemen – waar ge negligeert – expres of niet expres – is dat iets wat ik wel wenschte ge kondt afwennen en iets waar men wel kwaad om moet worden. Wat ik zei van b.v. in Antwerpen iets te doen met mijn werk,12 is wel degelijk mijn plan.–
 2v:7
De stemming waarin ge nu zijt jegens mij, de stemming waarin ik nu ben jegens U, is koel genoeg om eens koelweg te vragen en te antwoorden. Après tout – maling aan elkaar of niet – daargelaten – kan ik er op rekenen gedurende 1 jaar dit vast staat, dat tegen levering van mijn werk maandelijks ik het gewone blijf ontvangen? Waarom ik dit weten moet is omdat als ik er op rekenen kan, ik ergens weer een ruimer ateliertje zou nemen dat ik noodig heb om met model te kunnen werken.
Dat wat ik tegenwoordig heb heeft de volgende geographische ligging.13

[sketch A]
en mijn verbeeldingskracht is niet sterk genoeg om dit vooruitgang te vinden op den toestand van verleden jaar.– Dat neemt niet weg er als ik over iets klaag passages in uw brieven voorkomen als: ik (Theo) vind dat Uw positie nu beter is dan verl. zomer. zoo – en ik teeken het kaartje ook als repliek van Uw expressie “ik ben me niet bewust” &c., en ik zou ook geen vrede nemen met dezen brief van U indien dat er niet bijstond.–
 2r:8
Daarop zeg ik – ’t kan me niet schelen of gij U bewust zijt of niet dat dit of dat niet in den haak is, zoo lang ge maar niet van me vergt ik zelf dienaangaande in een roes zal wandelen, en zoolang ge me de middelen geeft dingen te verbeteren heb ik er niets op tegen ge u van allerlei “bewust” zijt.
Ik hoop dezen brief zoo koel zij als den Uwen – en ik dank U zeer voor het gezondene – dat de rest goedmaakt – ten minste zoo maakt dat, waar ik er op zou kunnen rekenen ’t een jaar zoo voortduren zal, ik van U niets anders er bij vraag en regt graag U mijn werk zal sturen.–
En U slechts zou voorstellen een kleinigheid nog er bij: dat als ik in Antwerpen of zoo iets verkoopen kan, ik U dit berigtte en het worde afgetrokken van de frs 150.
Aan Rappard schrijf ik over zaken niet – ten minste ik heb hem niet verteld in den laatsten tijd ik met U niet was als vroeger. Denk er nu eens over na of het in den haak is dat gij die Rappard kent nooit iets van zijn werk hebt gezien, volstrekt niet weet wat hij uitvoert – geen notitie hoegenaamd van hem meer neemt, als van hooren zeggen misschien van mij.– Toch is hij een van de lui die zich zullen doen gelden – met wie men rekening zal moeten houden – van wiens werk men notitie zal moeten nemen.– In der tijd kwam Rappard bij U en voelde zich klein tegenover U die zoo veel verstand had van kunst.– Sedert dat jaar hij te Parijs was14 – wat is hij enorm gevorderd – maar gij – hebt ge niet een beetje op Uw lauweren gerust???

translation
 1r:1
My dear Theo,
I just received your letter and the 250 francs enclosed.1 If I may regard your letter as a reply to my proposal, I would certainly be able to accept what you say. For my part I simply wish — in order to avoid correspondence, dispute — in order to be able to say something when one is railed at in daily life by one person or another as being ‘without means of support’ — that if I continue to receive the usual from you, I may regard it as money that I’ve earned. Naturally I’ll send you work every month. That work, as you say, is then your property — and I completely agree with you that in that case you have every right to do nothing with it — indeed, I wouldn’t even be in a position to object if you thought fit to tear it up.
I for my part, needing money, am obliged to accept it even if someone says to me ‘I don’t want to do anything with this drawing of yours or burn it, you can have this much for it’ — in the circumstances I’d say — very well — give me the money — here you have my work —  1v:2 I want to get on — in order to get on I must have money — I’m seeing to it that I get it — and so — if need be, even if I really didn’t give a damn about you, as long as I receive money from you each month that is useful and necessary to me (without conditions that I may not do this, that or the other),2 I won’t break the ties, and if need be I’ll put up with anything.
This way of mine of regarding you and your money balances your way of regarding me and my work — and as long as it remains in balance — I’ll accept it.
If I receive money from you, you drawings or paintings from me — and I have something to justify myself in the view of society and we otherwise have nothing in common with each other, if need be — don’t write or talk about anything — even then it’s enough for me for the moment and I accept it completely. Even if it pleases you to tear my work up or if you want to do nothing with it, or if you want to do something with it, I no longer have the right to criticize as soon as, for my part, I may regard it as a purchase.  1v:3
Be so good as to tell me which term of abuse I used about your friend Braat in my letter.3
In my letter, as far as I know, there was nothing about Braat except that I thought he was already ill in the months that I knew him at G&Cie in Paris. At that time, as far as I can recall, I got on very well with him, and I really don’t understand how you get the idea that I ‘can’t stand’ him. So many years have passed, so much has changed for me in those years, that the people I knew then are fairly vague and indistinct in my memory and — that I seldom if ever think about them — which nobody can blame me for, I believe. But as to Braat, far from my not wanting to take any special notice of him, now that you’ve written about it that way, will you please assure him that my sympathies are with him, as they would be with any sufferer, and that, if he happens to remember me, I send my regards and wish him as much peace and serenity as one may have in such a situation. Yet what good does such a wish do him — not much — so, unless one is called upon to say something, one keeps such things to oneself.  1r:4 I would ask you though, if you’ve said something to him about my having written about him in the way you reproach me with, to tell him that you had only seen that term of abuse in your imagination. For you definitely won’t find it in my letter.
You write that you had tried to answer my letters, but had left off. For my part, too, I had wanted to write to you since then, but also left off.
Know that if you don’t want to do anything with the work you buy from me, or tear it up if need be, this will be no reason for me not to do my best in it.
For this month I have some pen drawings for you; in the first place the ones that are with Rappard at the moment — about which I have a letter from him that he thought they were all beautiful, and the sentiment in Behind the hedgerows4 and the Kingfisher5 particularly beautiful. Then those first 3 Winter gardens6 too, which he was also taken with. Aside from those, I have some painted studies that are your property — to do with just as you will — which I can send you if you wish — which, if you yourself don’t care to have them, I would ask you if I might keep for a while so as to work from them.
One is a large weaver who is weaving a piece of red cloth7 — the little church amidst the wheat8 — a view of a little old village near here.9  2r:5
I’d just like to come back to your letter about my drawings — the one you say I’ve interpreted utterly impossibly.10
I see in it first that, among the things you say, there are a few whose tenor is that there were things that pleased you in the tone, in the sentiment — so much the better — if you will, that gives me a good deal of pleasure.
Second, in that letter there’s a comparison of the schools of Millet and Lhermitte. I found what you said about Millet better and more sensitive expressions than I am used to from you — this was overshadowed, however, by the way you were again tired of Lhermitte, and I’d also like to say about your whole argument once again, you’re splitting your hairs too thin — why didn’t you take a broader view, why didn’t you feel the same enthusiasm for both (who to my mind are to each other as Rembrandt is to Maes, say) without immersing yourself in barren hairsplitting about who is the greater?  2v:6
Third, there was something that was not in that letter, namely an answer to the question as to whether we’d go on or not.
That was the question that it was all about, and since my work depends on my paint and tools (to an extent that I can’t ignore), and they in turn on whether or not I receive money, I can’t possibly ascribe much usefulness to that letter.
It would be less impossible for me to preserve my composure in our correspondence if, when you don’t have the money on the date, you were to write, I haven’t got it, you’ll get it at such and such a time. Now you wrote not a word in response to my saying: it surprises me that I hear nothing, my having said I’d rather have it at once than later, because you said that if I need it I can get the money by return.11 If you’d written again then, I’m sorry but I haven’t got it, I shouldn’t have had to get ideas into my head that you’re deliberately being lax in order to make my life a bit more difficult. And — when you haven’t got it, I can’t take it amiss — when you ignore — deliberately or not deliberately — that’s something that I really wish you could cure yourself of, and something about which one really has to get angry. What I said about doing something with my work, in Antwerp,12 for instance, definitely is my plan.  2v:7
The frame of mind in which you now are about me, the frame of mind in which I now am about you, is cool enough simply to ask and to reply coolly. After all — leaving aside — giving a damn about each other or not — can I count on its being fixed for 1 year that I’ll continue to receive the usual monthly in return for supplying my work? Why I have to know this is because, if I can count on it, I would take a slightly roomier studio somewhere, which I need in order to be able to work with a model.
The one I have at present has the following geographical location,13

[sketch A]

and my powers of imagination aren’t strong enough to think this an improvement on the situation last year. This doesn’t alter the fact that, if I complain about something, there appear in your letters such passages as: I (Theo) think that your position is better now than last summer. Really? And I also draw the little map in response to your expression ‘I’m not aware’ &c., and I would also not be content with this letter of yours if that wasn’t in it.  2r:8
To which I say — I don’t care whether or not you’re aware that this or that isn’t quite in order, as long as you just don’t ask me to walk round befuddled about it, and as long as you give me the means to improve things I have no objection to your being ‘aware’ of all sorts of things.
I hope this letter is as cool as yours — and I thank you very much for what you sent — which makes up for the rest — at least makes it such that, if I could count on its continuing thus for a year, I ask nothing more of you and will right gladly send you my work.
And would just suggest one other small thing to you: that if I can sell something in Antwerp or somewhere, I notify you of it, and it’s deducted from the 150 francs.
I don’t write to Rappard about business matters — at least I haven’t told him that latterly I haven’t been on terms with you as in the past. Just think about whether it’s quite in order that you, who know Rappard, have never seen anything of his work, have absolutely no idea what he’s doing — no longer take any notice whatsoever of him, except perhaps by hearsay from me. Yet he’s one of the people who will amount to something — with whom people will have to reckon — of whose work people will have to take notice. At the time Rappard came to you and felt small in your presence, you who knew so much about art. Since that year he was in Paris14 — how immensely he has progressed — but you — haven’t you rested on your laurels a bit???
notes
1. Van Gogh usually received 150 francs a month in three instalments. He had made an issue of his request for money because he was still due 100 francs for March.
2. Van Gogh added the sentence ‘without ... other’ (‘zonder ... mag’) later.
a. Read: ‘Houdt in evenwicht’ (balances).
3. Theo must have been upset by the passage about Braat in letter 438.
4. Van Gogh worked in Paris from October to December 1874 and from May 1875 to April 1876.
5. Behind the hedgerows (F 1129 / JH 461 ).
6. The kingfisher (F 1135 / JH 468 ).
7. Probably the following three: Parsonage garden (F 1133 / JH 485) – this was in Van Rappard’s estate; Winter garden (F 1128 / JH 466 ) and Parsonage garden (F 1130 / JH 465 ).
8. Weaver and a spinning wheel (F 29 / JH 471 ); we know from letter 445 that Van Gogh embarked on this work in the winter and was still working on it.
9. The old church tower at Nuenen with a ploughman (F 34/ JH 459 ).
10. This painting of a view of a village is not known. The little village may have been Son or Breugel, about which Van Gogh had previously written enthusiastically (letter 439).
11. This refers to letter 438.
12. Van Gogh mentioned his plan of trying to sell his work in Antwerp in letter 432.
13. Van Gogh sketched a plan showing how wretchedly the studio was situated amidst the cesspit, the privy, the coalhole and the drain. Cf. Ill. 2310 .
14. Van Rappard went to Paris in October 1879 and took lessons in the studio of Jean Léon Gérôme. It was then that he met Theo. See exhib. cat. Amsterdam 1974, p. 11.