Back to site

510 To Theo van Gogh. Nuenen, Sunday, 28 June 1885.

metadata
No. 510 (Brieven 1990 514, Complete Letters 414)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: Nuenen, Sunday, 28 June 1885

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. no. b452 V/1962

Date
The last letter to Theo, letter 509, was written on or about 22 June. In it Van Gogh mentioned Serret and his intention to send him some work. In the present letter he again refers to Serret, whom he would now ‘also’ like to show studies of the harvest (l. 103). Since he furthermore remarks that it is ‘Sunday today’, and ‘I wanted to write to you again’ (ll. 1*-2), thus indicating that some time has elapsed since his last letter, we assume that the letter dates from Sunday, 28 June 1885. Sunday, 5 July is less likely because the letter written on the following day (512) followed a period of concentrated work during which he had not written.

Ongoing topic
Serret’s reaction to Van Gogh’s work (508)

original text
 1r:1
Waarde Theo,
Daar het vandaag Zondag is wilde ik U weder eens schrijven. Omdat ik nog verzuimd heb iets te zeggen van het schij van Uhde, Laissez venir à moi les petits enfants.–1 Ja – ik vind het mooi – maar nieuw – is het niet.– Interieurs in helderen toon met boerenkinderen – zonder mystiek Christusfiguur, zooals Israels, zooals Artz, vind ik mooier dan dit waar men een mystieken christus op den koop toe krijgt.– De kinderen zijn zeer mooi van karakter – zijn ze echter beter dan die van Lobrichon,2 Frère of zelfs Knaus, Vautier, zooals zij vroeger waren in hun goeden tijd.
Meen niet dat dit weinig is want al die lui die ik opnoem, ze waren vooral vroeger enorm knap als karakter teekenaars.
Tegen ’t Schij Uhde heb ik dat er iets kouds in is als in de nieuw baksteenen huizen en scholen en kerken van methodisten.–
En ik krijg – vergeef het me – ondanks de groote verdiensten van alles in ’t schij, heimwee naar de minder orthodoxe manier van schilderen van Decamps of Isabey.3
Enfin er is iets après tout teringachtigs in en ik vind een Corot, een Dupré, een Millet zoo oneindig gezonder geschilderd is.–
 1v:2
Ik spreek echter naar aanleiding van de reproductie, ik acht het best mogelijk dat als ik ’t schij zag, ik er meer verzoend mede zou raken wat de techniek betreft.– Ge weet hoe veel ik toch van de heldere lui ook houd – maar – ziet ge – ’t wordt te erg en Mantz zegt het heel fijn – hij zegt, ceux qui rêvent toujours partout le maximum des clairs, trouveraient d’une intensité un peu noire les verts de M. Harpignies.4
Juist ziet ge: Dat men elk effekt tegen een krachtig en gekleurd licht in, elke slagschaduw ketterij begint te vinden – dat men nooit meer schijnt te wandelen s’morgens heel vroeg of s’avonds bij zonsondergang, dat men niets meer zien wil dan middag licht of gaslicht en dat nog wel elektrisch!
Neen – dit alles werkt bij mij uit dat ik me zelf soms betrap op verlangen om dingen te zien – wel, b.v. zooals de verhuisdag van Nuyen,5 zooals een oude Leys, zooals een Cabat – een Diaz, Lepoitevin.–
 1v:3
Misschien ziet ge hierin niets dan een altijd in de contramine zijn van me.–
Maar ik stel toch op den voorgrond – dat ik het schij van Uhde zeer mooi vind – alleen, nadat ik ’t mooi gevonden heb is de nasmaak verre van onverdeeld aangenaam – althans niet erg opwekkend in verband met dat die schilders er in latere schilderijen niet beter op plegen te worden.
Enfin – het is een echt schilderij voor het huis G&Cie, van hun beste. Knaus hebben ze ook gehad bij G&Cie, en Lobrichon ook.– Ik verzeker U dat ik niet systematisch dat alles weggooi – verre van daar.– Drukt het uit wat ik bedoel als ik het zoo zeg: het is een goed schij van de Heeren Goupil & Cie. Drukt het uit wat ik bedoel als ik zeg: beaucoup – mais beaucoup – de talent, autant que possible – du genie? – non.6 Dit schij van Uhde – is veel Duitscher (zie in ’t artikel van Mantz hoe fijn hij Meyerheim railleert “nature-mortier”,7 hebt ge dat opgemerkt), is, zeg ik, veel Duitscher dan ’t lijkt.–
O die wijze, die nieuwe, die alles beter wetende lui van de nieuwe vooruitgang die Harpignies critiseeren!– ik wed toch dat gij dat zelf ook niet uitstaan kunt – en in gehalte zijn zij een nieuwe editie van M. Prudhomme van Monnier.8
Om over iets meer opwekkends te spreken – ik sluit hierin een houtsnee naar Clausen, die begon vrij Duitsch maar heeft zich overwonnen,  1r:4 zooals Neuhuys zich ook dikwijls overwint. ziedaar – dit is de reden waarom ik het prentje u insluit – ziedaar eindelijk iets uit de engelsche kunst dat mij herinnert aan werk van Pinwell en Fred Walker. Het is weer anders dan Millet – maar ge zult zien, al kijkt ge er lang op, het verveelt niet.–9
Doe het prentje niet weg want men ziet zoo zelden iets van die zeldzame kunst. die men niet met b.v. Bridgmann10 verwarren moet. En het andere prentje, minder mannelijk wat betreft de opvatting, is magtig goed wat sentiment betreft. en ook echt oorspronkelijk.
Ik werk dagelijks hard aan figuurteekeningen.– Ik moet er echter wel een honderd hebben – nog meer zelfs voor ik er weer eens af kan. Het is me te doen om iets anders te vinden dan mijn oude teekeningen en om het karakter van de boertjes – bepaald die van hier – te vinden.
En we gaan naar den oogst – en dan moet ik én bij ’t koren oogsten én bij ’t aardappels uitdoen er een campagne tijd van maken. Het is dan dubbel moeielijk model te hebben en toch moet het, want hoe langer hoe meer word ik overtuigd dat men niet te conscientieus kan zijn, dat men altijd en eeuwig zich moet inspannen op wat Daudet (in l’histoire de mon livre, een artikel dat ik pas van hem las over les rois en exil) noemt: la chasse au modèle.–11
Ik zou Serret graag ook de studies van den oogst laten zien.12 Ik weet daarom niet precies wanneer ik de portefeuille studies naar ’t model zal kunnen zenden. Maar toch in elk geval over niet al te langen tijd. En ik zal nog een stuk of 3 hutten – geschilderde studies als die van laatst13 – ook zenden, vóór den oogst hoop ik.– Vergis ik me dat er in den ouden toren14 iets goeds is? Hebt gij die al uitgehaald? Ze zijn nu beiden droog genoeg voor een vernisje en hebben het hard noodig omdat onder beiden iets anders onderzit.15 Weet ge bij raming reeds iets betreffende den tijd van uw komst?16 En zijn er geen nieuwe L’Lhermittes?17 Gegroet, met een handdruk.

b. à t.
Vincent

Ik zeg nog eens dat er voorbeelden zijn, maar al te veel, van de heel heldere lui, dat ze later of krijtachtig of olieachtig worden. het is omdat zoo dikwijls ik dat opmerkte, dat ik een zeker voorbehoud heb, niet onverdeeld ’t schij Uhde mooi kan vinden. De twee smids van Rafaelli18 zijn zeer mooi.–

translation
 1r:1
My dear Theo,
Since it’s Sunday today, I wanted to write to you again. Because I’ve neglected to say anything about the painting by Uhde, Suffer the little children to come unto me.1 Yes — I think it’s good — but new — it isn’t. I like interiors in bright tones with peasant children — without a mystical figure of Christ, like Israëls, like Artz, better than this, where one gets a mystical Christ into the bargain. The children are very fine characterizations — but are they better than those by Lobrichon,2 Frère or even Knaus, Vautier, as they used to be in their heyday?
Don’t think that this isn’t saying much, because all those fellows that I mention were extraordinarily clever character artists, particularly in the past.
What I have against the Uhde painting is that there’s something cold in it, like in the new brick houses and schools and Methodist churches.
And — forgive me — despite the great merits of everything in the painting, it makes me nostalgic for Decamps’s or Isabey’s less orthodox manner of painting.3
In short, there is in the end something consumptive about it, and I think a Corot, a Dupré, a Millet is so infinitely more healthily painted.  1v:2
I’m only speaking about it on the basis of the reproduction, though; I consider it quite possible that if I saw the painting I would become more reconciled to it as far as the technique is concerned. You know how much I like those bright fellows too — but — you see — it goes too far, and Mantz puts it very well — he says, those who are always dreaming of the maximum of bright colours everywhere will find Mr Harpignies’ greens of a rather blackish intensity.4
So you see: that they start to regard every effect against a strong and coloured light, every shadow, as heresy — that they never seem to go for a walk very early in the morning, or in the evening at sunset, that they don’t want to see anything but midday light or gaslight, and that has to be electric!
No — the effect of all this on me is that I sometimes catch myself longing to see things — well, for example, like Nuijen’s moving day,5 such as an old Leys, such as a Cabat — a Diaz, Lepoittevin.  1v:3
Perhaps you see nothing in this but my constant contrariness.
But still I say first of all — that I think Uhde’s painting very good — only after I’ve thought it good, the aftertaste is far from entirely pleasant — at least not very encouraging in that these painters don’t usually get better in later paintings.
Anyway — it really is a painting for the house of G&Cie, of their best. They also had Knaus at G&Cie, and Lobrichon too. I assure you that I don’t discard all that as a matter of course — far from it. Does it express what I mean when I put it like this: it’s a good painting from Messrs Goupil & Cie? Does it express what I mean when I say: lots — but lots of talent, as much as possible — but genius? — no.6 This painting of Uhde’s — is much more German (see how cleverly Mantz pokes fun at Meyerheim, ‘still-life dauber7 in his article, did you notice that?), is, I say, much more German that it seems.
Oh those wise, those new, those know-it-all people of the new progress who criticize Harpignies! I wager that you can’t stand that either — and in content they’re a new edition of Monnier’s M. Prudhomme.8
To speak of something more encouraging — I enclose a woodcut after Clausen, who started out fairly German but has got the better of his weaknesses,  1r:4 just as Neuhuys also often gets the better of his. Here you are — this is why I enclose the print for you — here at last is something from English art that reminds me of work by Pinwell and Fred Walker. It’s different again from Millet — but you’ll see that, although you may look at it for a long time, it doesn’t become boring.9
Don’t get rid of the print, because one so seldom sees any of this rare art, which one shouldn’t confuse with Bridgman, say.10 And the other print, less manly as regards the conception, is mightily good as regards sentiment, and also really original.
I’m working hard on figure drawings every day. I must have at least a hundred, though — or even more, before I can stop again. I’m trying to find something different from my old drawings, and to find the character of the peasants — especially those from round here.
And we’re heading towards harvest — and then I must make the wheat harvest and the potato lifting a campaign time. It’s twice as difficult to get a model then and yet it’s essential, because the older I get, the more convinced I become that one can’t be too conscientious, that one must always and eternally exert oneself in what Daudet (in L’histoire de mon livre, an article by him that I read recently about Les rois en exil) calls the hunt for the model.11
I would also like to show Serret the studies of the harvest.12 So I don’t know exactly when I’ll be able to send the portfolio of studies from the model. But before too long, anyway. And I’ll also send another 3 cottages or so — painted studies like the last ones13 — before the harvest, I hope. Am I mistaken in thinking that there’s something good in the old tower?14 Have you already varnished it? They’re both dry enough for a coat of varnish now, and really need it because there’s something else under both of them.15 Do you already have some sort of estimate of when you’re coming?16 And aren’t there any new Lhermittes?17 Regards, with a handshake.

Yours truly,
Vincent

I say again that there are examples, only too many, by the very bright fellows, where they later become chalky or oily. It’s because I’ve observed this so often that I have certain reservations, can’t think the Uhde painting entirely good. The two blacksmiths by Raffaëlli are very fine.18
notes
1. See for Suffer the little children to come unto me by Uhde: letter 500, n. 25. Vincent had asked for more information in this letter; Theo sent a reproduction.
2. Timoléon Marie Lobrichon was known primarily for his genre paintings featuring scenes from childhood and for his portraits of children.
3. Decamps moved away from the academic tradition and, on the basis of a meticulous study of nature, became the pioneer of a ‘romantically-tinged’ Realism in which colour and strong chiaroscuro effects are important. Louis Gabriel Eugène Isabey was known for his sound brushwork and his liking for painting in thick layers (impasto).
4. In ‘Le Salon vi’, published as ‘Feuilleton du Temps’ in Le Temps of Sunday, 14 June 1885, Mantz had written: ‘The Loire at Briare is a fine picture: perhaps the energy of the greenery has a somewhat black vigour, at least for those who dream of the maximum of light everywhere.’ (La Loire à Briare est un beau tableau: peut-être l’énergie de la verdure a-t-elle une vigueur un peu noire, au moins pour ceux qui rêvent partout le maximum du clair) (p. 1). He was of course alluding to the Impressionists; it is doubtful whether Van Gogh – who did not yet know any Impressionists (see letters 467 and 495) – was really able to appreciate what he was saying.
5. Wijnand Nuijen, The old mill (Moving day), 1838 (The Hague, Gemeentemuseum). Ill. 1203 . It entered the collection in 1875.
6. Van Gogh also contrasted the concepts of talent and genius in letter 31.
7. In the same issue, Mantz wrote about Paul Meyerheim (‘Le Salon’): ‘The academicians of the future have coined a word to describe the painter who, like the Dutchmen of the past and like Chardin, have made a profession of representing inanimate, or at least quiet objects: they call him a still-life painter.’ (Les academiciens de l’avenir ont forgé un mot pour désigner le peintre qui, comme les Hollandais d’autrefois et comme Chardin, fait profession de représenter des objects inanimés ou du moins tranquilles: ils l’appellent un nature-mortier) (Le Temps, Sunday, 14 June 1885, p. 2).
8. See for the character of Joseph Prudhomme in Monnier’s Scènes populaires dessinées à la plume, Grandeur et décadence de M. Joseph Prudhomme, Mémoires de Monsieur Joseph Prudhomme, and Croquis à la plume: letter 296, n. 3.
9. This is probably the engraving Fisher folk in church after George Clausen, which is in the estate: see letter 235, n. 22. Clausen started drawing in 1867 and initially concentrated on decorations; after 1873 – following a period of training at the South Kensington School of Art – he developed as a fine artist. In the eighteen-eighties he switched his subject from Dutch peasant life to English, but Van Gogh will have meant the former turnaround in Clausen’s work. See Sir George Clausen, R.A., 1852-1944. Kenneth Mc Conkey. Exhib. cat. Bradford (Cartwright Hall), 1980. Bradford 1980, pp. 11-17.
10. Frederick Arthur Bridgman, whose work in The Graphic Van Gogh knew.
11. The article he ‘read recently’ must have been Alphonse Daudet’s ‘L’histoire de mes livres. Les rois en exil’ (The history of my books. The kings in exile), an explanation to accompany his novel Les rois en exil, in which he wrote: ‘To my mind, the difficulty of the work lay above all in the search for models and for true information, and in the tiresomeness of all this representation dictated by the novelty of a subject so unfamiliar to me and my environment and one beyond my everyday and spiritual habits.’ (A mes yeux, la difficulté de l’oeuvre était surtout là, dans cette chasse aux modèles, aux renseignements vrais, dans l’ennui de tout ce reportage commandé par la nouveauté d’un sujet tellement loin de moi, de mon milieu, hors de mes habitudes d’existence et d’esprit.) It was in La Nouvelle Revue 6, January-February 1885, vol. 32, pp. 485-495, quotation on pp. 485-486. The Van Gogh family in Nuenen had a subscription to this magazine (FR b2268).
12. On small figures or figures at work from this period, see cat. Amsterdam 1997, pp. 203-210.
13. ‘The last ones’ were The cottage (F 83 / JH 777 ) and another cottage, both of which had been in the last consignment: see letter 506. Van Gogh had also meanwhile written about Cottage (F 91 / JH 809 ): see letter 508. He painted several cottages during this period.
14. The old church tower at Nuenen (‘The peasants’ churchyard’) (F 84 / JH 772 ).
15. See for these underlying images and for Vincent’s proposal to varnish them: letter 507, nn. 13 and 14.
16. Theo was planning to come to the Netherlands with Andries Bonger at the end of July and visit Nuenen; he left on 7 August; see further letter 522.
17. Vincent had asked Theo to keep an eye out for the Lhermitte prints appearing every month in Le Monde Illustré in the series ‘Les mois rustiques’: see letter 484.
18. Jean-François Raffaëlli, The blacksmiths, 1884 (Douai, Musée de la Chartreuse). Ill. 1235 . Theo must have sent a reproduction of this work. It was exhibited at the Salon of 1885.