Back to site

552 To Theo van Gogh. Antwerp, between Tuesday, 12 and Saturday, 16 January 1886.

metadata
No. 552 (Brieven 1990 555, Complete Letters 444)
From: Vincent van Gogh
To: Theo van Gogh
Date: Antwerp, between Tuesday, 12 and Saturday, 16 January 1886

Source status
Original manuscript

Location
Amsterdam, Van Gogh Museum, inv. no. b484 V/1962

Date
The letter must have been written after the acknowledgement of receipt of the book by Jules and Edmond de Goncourt in letter 551, in other words after about 2 January 1886 (cf. l. 163). In the present letter Van Gogh writes that he saw Rubens’s works in the cathedral ‘last Sunday’ (l. 1). The first Sunday in 1886 fell on 3 January, the second on the tenth. Because Van Gogh presses Theo to send him 50 francs extra this month in the present letter, it is probable that this request was not made that early in the month, in other words it is more likely to have been shortly after the tenth than after the third. Sunday 17 January is ruled out, because he was with Verlat at the Academy before that, something that he does not report until letter 553 of 19 or 20 January. Since he wrote ‘last Sunday’ rather than ‘yesterday’, the earliest date would appear to be Tuesday, 12 January. We have therefore dated the letter between that date and Saturday, 16 January 1886.

Ongoing topic
Theo sends L’art du dix-huitième siècle by the De Goncourt brothers (551)

original text
 1r:1
Waarde Theo,
Verleden Zondag heb ik de twee groote schilderijen van Rubens voor ’t eerst gezien en omdat ik die van ’t museum herhaaldelijk en op mijn gemak had bekeken, waren deze – la descente de croix & l’élévation de croix – er te interessanter om.–1 l’élévation de la croix heeft een eigenaardigheid die mij direkt in ’t oog viel en dat is – er is geen vrouwenfiguur op.– Tenzij op de zijvleugels der triptiek.2 Gevolgelijk is ’t er niet beter op.– Laat ik U zeggen dat ik met la descente de croix dweep. Niet echter ter wille van diepte van gevoel als men bij een Rembrandt of in een schij van Delacroix of in een teekening van Millet zou vinden.–
Niets navreert me minder dan Rubens wat betreft uitdrukking van menschelijke smart. Laat ik beginnen met te zeggen, om duidelijker te maken wat ik bedoel – dat zelfs zijn mooiste, schreijende Magdalena koppen of Mater dolorosas me altijd doen denken eenvoudig aan de tranen van een mooie meid die b.v. een sjanker zou hebben opgeloopen of dergelijke petite misère de la vie humaine3 – als zoodanig zijn ze meesterlijk doch iets anders zoeke men er niet in. Rubens is verbazend in de schildering van alledaagsche, mooie vrouwen. Maar in de expressie is hij niet dramatisch. Vergelijk hem bij b.v. de kop van Rembrandt in de coll. Lacaze4 – bij de mannenfiguur in de Jodenbruid5 – ge zult begrijpen wat ik bedoel – dat b.v. zijn stuk of 8 geboursoufleerde figuren van kerels die een tour de force verrigten met een zwaar houten kruis in l’elevation de la croix, mij absurd voorkomt zoodra ik me plaats op een standpunt van moderne analyse van menschelijke hartstogten & gevoelens.– Dat Rubens in zijn expressies vooral van de mannen (uitgezonderd altijd de eigentlijk gezegde portretten)a oppervlakkig, hol, geboursouffleerd is, ja ten eenemale conventioneel & niets als – Jules Romain & nog erger lui der decadence.6
Maar toch, ik dweep er mede omdat hij ’t juist is, Rubens, die een stemming van vroolijkheid, van sereniteit, van smart zoekt uit te drukken en werkelijk daarstelt, al zijn zijn figuren soms hol enz. – door de combinatie der kleuren.
Zoo in l’elevation de la croix zelfs – de blanke vlek – het lijk hoog opgevoerd van licht – is dramatisch in haar verband van tegenstelling met de rest, die zoo laag is gezet.
’t Zelfde, maar m.i. verreweg mooier, is de charme van la descente de croix, waar de blanke vlek gerepeteerd wordt door de blonde haren, blank gelaat & hals der vrouwenfiguren, terwijl de sombere entourage verbazend rijk is door die diverse laaggezette, en door den toon tot elkaar gebragte massas rood, donker groen, zwart, graauw, violet.
En Delacroix heeft op nieuw getracht de lui te doen gelooven in de symfonies der kleuren.–7 En men zou zeggen tevergeefs, als men nagaat hoe zeer haast iedereen verstaat door goed van kleur: de juistheid der lokale kleur, de kleingeestige preciesheid.– Die noch Rembrandt, noch Millet, noch Delacroix, noch wie men ook wil, zelfs Manet niet of Courbet, hebben gesteld tot hun doel, evenmin als Rubens of Veronese.–
 1v:2
Ik heb ook nog verscheiden andere schijen Rubens &c. gezien in diverse kerken.8 En het is erg interessant Rubens te bestudeeren, juist omdat hij in zijn techniek zoo bij uitstek eenvoudig is, of liever schijnt. Het met zoo weinig doet, en met zoo vlugge hand en zonder eenige aarzeling schildert – en vooral ook teekent. Maar portretten en – vrouwenkoppen of -figuren, dat is zijn fort. Daar is hij diep en intiem in ook. En wat zijn zijn schilderijen frisch gebleven juist door den eenvoud der techniek.
Wat zal ik U nu verder zeggen. Dat ik hoe langer hoe meer trek krijg om zonder me te haasten, d.i. zenuwachtig te haasten – heel kalm en bedaard al mijn figuurstudies nog eens van meet af over te gaan doen. Ik wou ’t zoover brengen in kennis van ’t naakt & de structuur van ’t figuur, dat ik uit ’t hoofd kan werken. Ik wou nog een tijd, ’t zij bij Verlat ’t zij op een ander atelier gaan werken, overigens bovendien voor me zelf zooveel mogelijk naar model schilderen. Ik heb op ’t moment 5 schilderijen, 2 portretten, 2 landschappen, 1 stilleven, bij Verlat op zijn schilderklasse in de akademie gedeponeerd.9 Ik was er daareven weer doch ik heb hem telkens niet daar gevonden. Maar ik zal U wel spoedig melden kunnen hoe dat zal afloopen. en ik hoop wel gedaan te krijgen dat ik den heelen dag aan de akademie naar ’t model mag schilderen, wat ’t mij makkelijker zou maken, daar de modellen zoo geducht duur zijn dat ik ’t niet houden kan.
En ik moet er iets op vinden om in dat opzigt hulp te krijgen.
In alle geval, ik denk wel dat ik een poos in Antwerpen zelf zal blijven in plaats van naar buiten terug te gaan. het zou zoo veel beter zijn dan het uit te stellen. en er is zooveel meer kans om hier lui te vinden die er zich welligt voor interesseeren zullen. Ik voel dat ik wat durf en wat kan, en het heeft al veel te lang getraîneerd.
Gij wordt er boos om wanneer ik aanmerking maak, of liever, trekt U er niets van aan, en al de rest die we kennen, en toch, ik geloof dat er een tijd zal komen dat ge ’t zelf zult moeten erkennen dat gij te slap geweest zijt om door te drijven dat ik mijn crediet bij de lui wat terug kreeg. Maar enfin wij staan niet voor ’t verleden maar voor de toekomst. En nog eens – ik geloof dat de tijd het U aan ’t verstand zal brengen dat wij, indien er meer hartelijkheid en warmte tusschen ons geweest was, zamen een eigen zaak op touw hadden gehad.10
 1v:3
Al waart ge bij G&C gebleven. Gij spreekt n.b. tot mij van dat gij wel weet gij stront voor dank krijgt – maar weet ge zoo heel erg zeker dat dit iets meer is dan een misverstand zoo als waar Pa zelf aan laboreerde. Ik zal daar althans ’t hoofd niet bij neerleggen, wees daar gerust op. Want er is te veel nog te doen zelfs tegenwoordig.–
Ik zag dezer dagen voor ’t eerst een fragment van het nieuwe boek van Zola, “l’oeuvre”, dat zooals ge weet verschijnt als feuilleton van le Gil Blas.11 Ik houd het er voor dat deze roman als hij wat doordringt in de artistenwereld wel goed zal doen. Het fragment dat ik las vond ik zeer echt.
Ik wil desnoods toegeven dat bij ’t werken absoluut naar de natuur er nog iets anders noodig is – de gemakkelijkheid van composeeren – de kennis van ’t figuur – maar après tout – ik geloof niet dat ik voor absoluut niets jaren lang me moeite heb gegeven. Ik voel een zekere kracht in me omdat ik, waar ik ook komen zal, altijd een doel zal hebben, het schilderen van de menschen zoo als ik ze zie en ken.
Of ’t impressionisme zijn laatste woord reeds heeft gezegd – om de uitdrukking impressionisme te houden – Ik verbeeld me altijd dat er juist in figuur nog veel nieuwen kunnen opstaan, en hoe langer hoe wenschelijker begin ik het te vinden men in een moeielijken tijd als tegenwoordig juist zijn heil zoeke in het dieper ingrijpen in de hooge kunst. Want er is hooger en lager betrekkelijk – de menschen zijn meer dan de rest en trouwens ook heel wat moeielijker te maken.
Ik zal mijn best doen om hier kennissen te maken en ik heb gedacht dat als ik eens een tijd b.v. bij Verlat werkte, ik beter georienteerd zou zijn om te weten wat er hier omgaat en wat er te doen is en hoe men er in kan komen.–
Laat mij dus maar scharrelen en geef den moed in vredesnaam niet op of verslap niet. Ik geloof niet dat ge billijkerwijs van me kunt vergen ik ter wille van mogelijk een 50 frs per maand minder, naar buiten terug ga, als de heele reeks van volgende jaren zoo zeer in verband staat tot de relaties die ik in stad, hetzij hier in Antwerpen ’t zij later te Parijs, moet aanknoopen.
En ik wou ik U kon doen begrijpen hoezeer ’t te voorzien is er veel zal veranderen in den handel. En gevolgelijk er veel nieuwe kansen zijn tevens, als men met wat oorspronkelijks kon voor den dag komen.12 Maar dat dat dan ook noodig is, wil men tot iets nuttig zijn. Het is geen fout van mij of geen misdaad als ik U zeg, dit of dat moeten we meer kracht achterzetten, en als we ’t zelf niet hebben, moeten we vrienden en nieuwe relaties vinden. Ik moet wat meer verdienen of wat meer vrienden hebben – liefst beiden.– Dat is de manier om er te komen maar het is in de laatste tijden te bar geweest voor me.
 1r:4
Wat deze maand betreft, zeer bepaald moet ik er op aandringen dat ge althans me nog 50 frs ziet te zenden.
Tegenwoordig vermager ik er op, en bovendien mijn kleeren worden te slecht &c. Gij weet toch zelf wel dat het zoo niet deugt. Toch heb ik een zeker vertrouwen dat we er door kunnen komen.
Maar gij spraakt er van dat als ik ziek werd we nog meer van streek waren – ik hoop het zoover niet komen zal maar ik wou wel ’t een beetje beter hebben, juist ter wille van dat te voorkomen.
Enfin – als men denkt hoeveel lui er maar altijd door bestaan zonder van zorg zich zelfs een begrip ooit van hun leven te maken – en die maar altijd denken dat alles zich wel ten beste schikken zal.– Als of men niet creveerde – en er geen vergingen.–
Ik heb er hoe langer hoe meer tegen dat gij U zelf voorstelt financier te wezen en b.v. van mij glad het tegenovergestelde denkt.–
Alle menschen zijn niet eender en als men er niet toe komt om te begrijpen dat vooral bij rekenen de tijd over de rekening heen moet zijn gegaan eer men zich zeker kan achten juist gerekend te hebben, als men daar niet toe komt is men geen rekenaar. En een breedere opvatting van het finantieele is juist wat veel moderne financiers kenmerkt. Namelijk niet uitmergelen maar vrijheid van actie geven.– Ik weet Theo, hoe gij zelf misschien er betrekkelijk in kunt zitten. Maar gij hebt het nooit van uw leven zoo bar gehad als ik 10 of 12 jaar achtereen.– Kunt gij het nu in mij niet billijken dat ik zeg, het is nu misschien lang genoeg geweest, ik heb in dien tijd iets geleerd wat ik vroeger niet kon, daardoor zijn al de kansen vernieuwd en kom ik er tegen op, tegen altijd achteruitgezet te worden. En indien het nu mijn zin eens ware om hier een tijd weer in de stadszaken te zijn, dan misschien ook nog eens op een atelier te Parijs te gaan, zult gij dat zoeken te verhinderen.13 Wees eerlijk genoeg om mij door te laten gaan want ik zeg U, ik zoek geen twist en ik wil geen twist maar ik laat mij mijn carrière niet afsluiten. En wat kan ik buiten doen, tenzij ik er kom met geld voor modellen en verf.– Buiten is er geen kans, absoluut niet, om met mijn werk geld te maken en in stad bestaat die kans. Ik ben dus niet veilig voor ik me vrienden in stad heb gemaakt en dat is ’t meest aan de orde.– Dat moge nu voor ’t moment ietwat dingen moeielijker maken maar het is toch de weg, en nu teruggaan naar buiten zou op stagnatie uitdraaien.
Enfin – gegroet – het boek van de Goncourt is mooi.–

b. à t.
Vincent

translation
 1r:1
My dear Theo,
Last Sunday I saw the two large paintings by Rubens for the first time, and because I’d looked at the ones in the museum repeatedly and at my leisure, these — The descent from the Cross and The elevation of the Cross — were all the more interesting for it.1 There’s an oddity in The elevation of the Cross that struck me right away, and that is — there are no female figures in it. Unless on the side panels of the triptych.2 It’s no better for it in consequence. Let me tell you that I adore The descent from the Cross. Not, though, because of the depth of emotion that one would find in a Rembrandt or in a painting by Delacroix or in a drawing by Millet.
Nothing moves me less than Rubens when it comes to the expression of human sorrow. Let me start by saying, to make it clearer what I mean — that even his most beautiful heads of a weeping Magdalen or Mater Dolorosas always just remind me of the tears of a pretty tart who’s caught the clap, say, or some such petty vexation of human life3 — as such they’re masterly, but one needn’t look for anything more in them. Rubens excels in the painting of ordinary beautiful women. But he is not dramatic in the expression. Compare him with, say, the head by Rembrandt in the La Caze Collection4 — with the male figure in the Jewish bride5 — you’ll understand what I mean — that, for instance, his 8 or so bombastic fellows performing a feat of strength with a heavy wooden cross in The elevation of the Cross seem absurd to me as soon as I look at them from the standpoint of modern analysis of human passions and emotions. That in his expressions, particularly in the men (always excepting actual portraits) Rubens is superficial, hollow, bombastic, yes, altogether conventional and nothing, like — Giulio Romano and even worse fellows of the decadence.6
But all the same, I adore it because it is precisely he, Rubens, who seeks to express a mood of gaiety, of serenity, of sorrow, and actually achieves it, through the combination of colours — even if his figures are sometimes hollow etc.
Thus in The elevation of the Cross, even — the pale spot — the body a high, light accent — is dramatic in the context of its contrast with the rest, which has been pitched so low.
The same thing, but to my mind far more beautiful, is the charm of The descent from the Cross, where the pale spot is repeated by the blonde hair, pale faces and necks of the female figures, while the sombre setting is immensely rich because of those various low masses, brought together by the tone, of red, dark green, black, grey, violet.
And Delacroix tried again to get people to believe in the symphonies of the colours.7 And in vain, one would say, judging by how much almost everyone understands good colour to mean the correctness of local colour, the small-minded preciseness — that neither Rembrandt, nor Millet, nor Delacroix, nor whomever you like, not even Manet or Courbet, set as their aim, any more than Rubens or Veronese did.  1v:2
I’ve also seen various other Rubens paintings &c. in several churches.8 And it’s very interesting to study Rubens, precisely because he is, or rather seems, so supremely simple in his technique. Does it with so little, and paints — and above all draws, too — with such a swift hand and without any hesitation. But portraits and — heads or figures of women, that’s his forte. There he’s deep and intimate, too. And how fresh his paintings have remained precisely because of the simplicity of the technique.
Now what else shall I tell you? That I feel increasingly inclined, without rushing, that’s to say without rushing nervously — to do all my figure studies over again from the beginning very calmly and coolly. I’d like to get to the point in knowledge of the nude and the structure of the figure where I can work from memory. I’d like to work either with Verlat or at another studio for a while, and for the rest also paint from models for myself as much as possible. At the moment I’ve left 5 paintings — 2 portraits, 2 landscapes, 1 still life — with Verlat’s painting class at the academy.9 I’ve just been there again, but each time I haven’t found him there. But I’ll soon be able to let you know how that turns out. And I hope to arrange it so that I can paint from the model at the academy all day, which would make it easier for me, since the models are so awfully expensive that I can’t keep it up.
And I must find some way of getting help in that regard.
In any event, I think that I’ll stay in Antwerp itself for a while, instead of going back to the country. It would be so much better than postponing it, and there’s so much more opportunity here of finding people who might take an interest in it. I feel that I dare do something and can do something, and things have already been dragging on for far too long.
You get cross if I make a comment, or rather you take no notice of it, and all the rest that we know, and yet I believe that there will come a time when you yourself will have to acknowledge that you’ve been too weak in seeing to it that I get back some of my credit with people. But anyway, we’re facing the future, not the past. And again — I believe that time will bring you to the realization that, if there had been more cordiality and warmth between us, we could have set up our own business together.10  1v:3
Even if you’d stayed with G&C. You said to me, indeed, that you know very well that you’ll get no thanks for your pains — but are you so very sure that this isn’t a misunderstanding like the one Pa himself laboured under? At any rate I won’t put up with it, you can be sure of that. For there’s still too much to do, even nowadays.
The other day I saw an excerpt from Zola’s new book for the first time, ‘L’oeuvre’, which as you know is appearing as a serial in Gil Blas.11 I think that this novel will do some good if it sinks in a little in the art world. I thought the excerpt that I read was very realistic.
For my part I’ll admit that something else is needed when working absolutely from nature — facility of composition — knowledge of the figure — but after all — I don’t think I’ve been putting myself to all this trouble for years for absolutely nothing. I feel a certain power in me because, wherever I may go, I’ll always have a goal — painting people as I see and know them.
As to whether we’ve already heard the last of Impressionism — to stick to the term Impressionism — I always imagine that many newcomers may still emerge in figure painting, in particular, and I’m beginning to think it increasingly desirable in a difficult time like the present that one should seek one’s salvation precisely by going deeper into high art. For there is relatively higher and lower — people are more than the rest, and for that matter a whole lot harder to paint, too.
I’ll do my best to make acquaintances here, and I thought that if I worked for a while with Verlat, say, I’d be in a better position to know what’s going on here, and what there is to do, and how one can get into it.
So just let me scratch around, and for heaven’s sake don’t lose heart or weaken. I don’t think that you can reasonably ask me to go back to the country for the sake of perhaps 50 francs a month less, when the whole stretch of years ahead is so closely related to the associations I have to establish in town, either here in Antwerp or later in Paris.
And I wish I could make you understand how easy it is to foresee that a great deal will change in the trade. And consequently there are many new opportunities too, if one could come up with something original.12 But that that is therefore necessary, if one wants to do something useful. It’s no fault of mine and no crime when I tell you we must put more force into this or that, and if we don’t have it ourselves we’ll have to find friends and new contacts. I have to earn a bit more or have a few more friends — preferably both. That’s the way to get there, but it’s been too tough for me recently.  1r:4
As regards this month, I really do definitely have to insist that you manage to send me at least another 50 francs.
At the moment I’m losing weight, and moreover my clothes are getting too bad &c. You know very well yourself that this won’t do. All the same, I have a degree of confidence that we can pull through.
But you said that if I became ill we’d be in even more of a state — I hope it won’t come to that, but I would like to be a little bit more comfortable, precisely so as to prevent that.
Anyway — when one thinks how many people just go on living without ever in their lives having even a notion of care — and who always just think that everything will turn out for the best. As if people didn’t starve — and no one ever perished.
I’m beginning to object more and more to your imagining yourself to be a financier and, for instance, thinking the exact opposite of me.
People aren’t all alike, and if one isn’t able to see that in calculating, above all, time must have passed over the calculation before one can consider for certain that one has calculated correctly; if one can’t see this, one is no calculator. And a broader view of finance is precisely what characterizes many modern financiers. That’s to say not exploiting, but allowing freedom of action. I know, Theo, how you yourself could perhaps be rather hard pressed. But you’ve never in your life had it as hard as I have for the last 10 or 12 years in a row. Can’t you understand that I’m right when I say that now, perhaps, it’s been long enough; in that time I’ve learned something I couldn’t do before, so all the opportunities have been renewed and I come up against it, against always being neglected? And if it were now to be my wish to stay here again in city life for a while, then perhaps also go to a studio in Paris, will you try to prevent it?13 Be fair enough to let me go on, because I tell you, I’m not looking for a row and I don’t want a row, but I won’t allow my career to be blocked. And what can I do in the country, unless I go there with money for models and paint? There’s no opportunity in the country, absolutely none, to make money from my work, and that opportunity does exist in town. So I won’t be secure until I’ve made friends in the city, and that’s the order of the day. Now for the moment it might make things a bit more difficult but it’s the way, all the same, and going back to the country now would end in stagnation.
Anyway — regards — De Goncourt’s book is good.

Yours truly,
Vincent
notes
1. Rubens, The descent from the Cross, 1612, in the south aisle of the transept in the Cathedral of Our Lady in Antwerp; the triptych The elevation of the Cross, 1610, in the north aisle. Ill. 1299 and Ill. 1300 .
2. Women only appear on the left side panel of The elevation of the Cross , among them Mary and Mary Magdalene.
3. See for the origin of this borrowing from Petites misères de la vie humaine by Old Nick and Grandville letter 178, n. 6.
4. See for Young man with a walking stick , which is no longer regarded as a Rembrandt, letter 536, n. 9.
5. See for Rembrandt, The Jewish bride : letter 430, n. 10.
a. Read: ‘portretten in strikte zin’ (portraits in the strict sense) (cf. the French ‘proprement dit’).
6. The Mannerist style of Giulio Romano was regarded at the time as a decadent transitional style between the High Renaissance and the Baroque. Rubens was influenced by Romano and copied his work. See Fredrick Hartt, Giulio Romano. 2 vols. New Haven 1958, vol. 1, pp. xvi, xxi, 46, 150.
7. See for the description ‘symphonies of the colours’: letter 537, n. 7.
8. Aside from The descent from the Cross and The elevation of the Cross in the Cathedral of Our Lady referred to earlier in the letter, Van Gogh could have seen the following works by Rubens in Antwerp churches: also in the cathedral hung The assumption of the virgin, 1626 and The resurrection of Christ, 1612; in Sint-Jacobskerk Virgin and Christ with saints; in Sint-Augustinuskerk The Holy Family with saints, 1628; and in Sint-Pauluskerk The real presence in the holy sacrament, 1609? and The flagellation, 1617? See Joz. de Coo, Rubens-gids voor de Antwerpse kerken. Antwerp 1946-1947, pp. 83-88.
9. The landscapes and the still life are the works Van Gogh brought with him from Nuenen: an unknown ‘mill’, Lane with poplars (F 45 / JH 959 ) and Still life with Bible (F 117 / JH 946 ). See letter 542, n. 3-5. He had evidently retrieved them in the meantime from the dealer’s where he had left them on consignment (letter 546). One of the portraits was probably Head of an old man (F 205 / JH 971 ) – at least it appears from letter 565 that Charles Verlat saw it. The second portrait may have been one of the portraits of women mentioned in letter 550.
10. The fact that Theo was still none too certain about what to do with his future emerges from a letter written by his sister Elisabeth during this period. On 21 January 1886 she wrote to Jo Bonger, with whom she had been corresponding since October 1885: ‘Does your brother write to you often? Mine has bouts of great communicativity (how’s that for a word?) but then relapses into a silence like the grave. I wish I could find him a nice little wife, but that requires an assured future, and well for him who does not look for the former until he is sure beforehand of the latter, otherwise misery, all misery’ (FR b3551).
11. Gil Blas was a left-leaning daily whose editors included Maupassant and Richepin, both admired by Van Gogh. The serialization of Zola’s L’oeuvre appeared in Gil Blas in 80 instalments, from 23 December 1885 to 27 March 1886.
L’oeuvre is the story of the painter Claude Lantier. His friends originally see him as a promising innovator in painting, but in practice he is unable to get any recognition for his work. He finds himself in an increasingly precarious position and finally hangs himself when he fears that he will not be able to finish a very ambitious work that was meant to have proved his genius once and for all.
12. After this Van Gogh crossed out: ‘That way salvation lies’ (‘Daarin is heil te zoeken’).
13. This is the first time the idea of working in a studio in Paris is mentioned – the course at the Antwerp Academy was due to end on 31 March.